Geschiedenis
Het versterkte broeikaseffect
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104336/Keeling.png)
Het is maar goed dat er broeikasgassen in de atmosfeer rondzweven. Als dat niet zo was, zou de planeet onleefbaar zijn. Zonder met name kooldioxide (CO2) zou de gemiddelde temperatuur op aarde ongeveer -18 graden Celsius zijn. Dankzij de broeikasgassen is het gemiddeld ongeveer 15 graden Celsius. Dat heet het broeikaseffect. De gassen houden een deel van de warmte die de aarde uitstraalt vast en creëren als het ware een isolatielaag rondom de planeet.
Sinds de industriële revolutie stijgt de concentratie van broeikasgassen, vooral door de hoeveelheid CO2 die vrijkomt bij het verbranden van steenkool, olie en gas. Aanvankelijk ging de stijging van de CO2-concentratie nog niet zo snel. Maar naarmate de industrialisatie doorzette en er steeds meer steenkool werd gebruikt, nam het tempo toe. Toen daar ook nog olie bij kwam – met name door de groei van het aantal auto’s – en later aardgas, volgde een extra versnelling.
De isolatielaag in de atmosfeer werd dikker en de aarde begon meer warmte vast te houden. Inmiddels is de concentratie CO2 met ongeveer 46 procent toegenomen. Dit is het versterkte broeikaseffect, de extra warmte die het gevolg is van menselijk handelen.
De ellende van het versterkte broeikaseffect is dat het zichzelf ook kan versterken. Bijvoorbeeld doordat er meer waterdamp in de atmosfeer komt als het warmer wordt. En omdat waterdamp ook een broeikasgas is, kan dat zorgen voor extra warmte. En daarmee voor nog meer waterdamp, enzovoort.
John Tyndall
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07135802/TYNDALL.jpg)
Het was waarschijnlijk de Franse geleerde Jean-Baptiste Fourier die het opwarmingseffect in de atmosfeer in 1827 voor het eerst vergeleek met een broeikas. Maar de Britse onderzoeker John Tyndall (1820-1893) probeerde de consequentie van dit idee verder uit te werken.
Zoals veel geleerden in die tijd beoefende Tyndall allerlei wetenschappen, van wiskunde en natuurkunde, tot geologie en atmosferische wetenschap. In zijn onderzoek naar de stralingscapaciteit van gassen in de atmosfeer combineerde hij veel van die vakgebieden. Hij bedacht een apparaat waarmee hij kon meten hoeveel straling gassen kunnen opnemen. Zijn belangrijkste conclusie was dat zuurstof, stikstof en waterstof nauwelijks stralingswarmte vasthielden, terwijl sommige andere gassen dat juist wel deden. Dat waren bijvoorbeeld waterdamp, ‘koolzuur’ (zoals hij kooldioxide noemde) en ozon.
Tyndall probeerde ook te becijferen hoeveel warmte die gassen konden vasthouden. Het leidde tot zijn conclusie dat het aardoppervlak zonder waterdamp „stevig in de ijzeren greep van de vorst zou zijn”. Later speculeerde hij over de mogelijkheid dat waterdamp en kooldioxide mede verantwoordelijk waren voor veranderingen in het klimaat.
Svante Arrhenius
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07135843/ARRHENIUS.jpg)
De Zweedse natuur- en scheikundige Svante Arrhenius (1859-1927) borduurde voort op de kennis van John Tyndall en anderen toen hij zichzelf aan het einde van de negentiende eeuw de vraag stelde hoe ijstijden waren ontstaan. Hij vermoedde dat het gebruik van steenkool wel eens fors kon bijdragen aan de opwarming van de planeet en wilde weten hoe groot die bijdrage was.
Hij stelde zichzelf die vragen omdat hij zich grote zorgen maakte. Veel van zijn voorgangers gingen ervan uit dat een overschot aan CO2 wel zou worden opgenomen door planten en door de oceanen. Arrhenius was daar niet zo zeker van en wilde weten wat het voor de gemiddelde temperatuur op aarde zou betekenen als de concentratie CO2 in de atmosfeer zou verdubbelen. Dat heet ook wel ‘klimaatgevoeligheid’.
Volgens zijn berekeningen zou een verdubbeling van de concentratie CO2 leiden tot een opwarming van vijf à zes graden. In 1896 publiceerde hij een wetenschappelijk artikel waarin hij zijn bevindingen beschreef. Arrhenius zat een paar graden te hoog, maar als je bedenkt met welke simpele middelen hij tot die inschatting kwam, was het een opmerkelijke prestatie. Om die reden wordt 1896 ook wel het jaar van ‘de ontdekking van het versterkte broeikaseffect’ genoemd.
Charles David Keeling
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07135920/KEELING.jpg)
Na de ‘ontdekking’ van Arrhenius hadden wetenschappers de smaak te pakken. In 1938 concludeerde de Britse ingenieur Guy Stewart Callendar bijvoorbeeld dat de gemiddelde temperatuur op aarde al was gestegen door de toegenomen concentratie van CO2 in de atmosfeer. In 1957 kwamen de Amerikaan Roger Revelle en de Oostenrijker Hans Suess tot de conclusie dat de oceanen niet alle CO2 zouden kunnen opnemen die de mensheid produceerde met het verbranden van steenkool, olie en gas.
Het is aan de Amerikaanse chemicus Charles David Keeling (1928-2005) te danken dat cijfers van de klimaatwetenschappers vóór hem empirisch konden worden onderbouwd. Keeling werkte bij het Scripps Institution of Oceanography en ontwikkelde een instrument om de concentratie van gassen in de atmosfeer nauwkeurig te meten. In 1958 installeerde hij zijn instrument hoog op een vulkaan op Hawaï, in een gebied met nauwelijks begroeiing – want die kan de metingen beïnvloeden. Dagelijks wordt daar sindsdien bijgehouden wat er gebeurt met de concentratie van CO2.
De cijfers werden weergegeven in een grafiek, die bekendstaat als de Keeling-curve. Doordat in de zomer planten op het noordelijk halfrond veel CO2 opnemen en in de winter hun blad verliezen en de CO2 zo weer afgeven, heeft de grafiek de vorm van een zaagtand. Veel belangrijker is de jaar op jaar stijgende lijn. Toen Keeling in 1958 begon te meten, bevatte de atmosfeer ongeveer 310 ppm (delen per miljoen). Gedurende zijn leven zag hij dit getal toenemen tot 380 ppm. En inmiddels is de teller de 420 ppm gepasseerd. Bij het begin van de industriële revolutie was de concentratie CO2 ongeveer 280 ppm.
IPCC
Wetenschappers begonnen zich in de loop van de twintigste eeuw meer zorgen te maken over de gevolgen van de toenemende concentratie aan broeikasgassen in de atmosfeer. Als er geen maatregelen werden genomen, zou de wereld aan het einde van de eeuw mogelijk drie graden warmer zijn, voorspelde natuurkundige Gilbert Plass in 1959 in het tijdschrift Scientific American. Ruim tien jaar later waarschuwde de Zweedse meteoroloog Bert Bolin voor de gevolgen van zo’n opwarming. In 1983 kwam de Amerikaanse National Academy of Sciences met een soortgelijke conclusie. Beroemd werd de hoorzitting in 1988 van klimaatwetenschapper James Hansen, hoofd van het Goddard Institute for Space Studies van NASA. Hansen hield het Amerikaanse Congres voor dat de extreme droogte en hitte in dat jaar in de VS het gevolg waren van de opwarming van de aarde.
Regeringsleiders concludeerden dat ze meer kennis nodig hadden om te bepalen wat er moest gebeuren. Het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) en de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) richtten daarom in 1988 het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) op, meteoroloog Bert Bolin werd de eerste voorzitter.
Het IPCC, waarin klimaatwetenschappers uit de hele wereld samenwerkten, kreeg de opdracht de klimaatwetenschap te evalueren en suggesties te doen om verdere opwarming te voorkomen. In 1990 verscheen hun eerste rapport. Met een paar slagen om de arm was de conclusie toch duidelijk: de temperatuur op aarde stijgt door de toenemende concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer. Het klimaat zal daardoor veranderen, en lang niet overal ten goede.
Sinds die eerste keer verschijnt er iedere vijf tot zes jaar een nieuwe reeks rapporten over de laatste stand van zaken. Hoewel het IPCC nadrukkelijk niet mag voorschrijven wat beleidsmakers zouden moeten doen, klinkt er in de rapporten een toenemende bezorgdheid. De stelligheid over de ernst van de gevolgen van klimaatverandering wordt met ieder rapport groter.
Critici verwijten het IPCC niet alleen alarmisme, maar ook vooringenomenheid. Ze wijzen erop dat de samenvattingen van de steeds dikkere rapporten tot stand komen na onderhandelingen met vertegenwoordigers van regeringen. Voorstanders noemen dat juist de kracht van het IPCC: als na die onderhandelingen een rapport is goedgekeurd, kunnen politici de feiten niet langer ontkennen. Zij bestrijden dat er sprake is van alarmisme in de conclusies. Eerder het tegendeel, omdat in de onderhandelingen veel politici hun best doen de scherpe kantjes ervan af te halen.
Het Klimaatakkoord van Parijs
Na het Kyoto-protocol in 1997 is herhaaldelijk geprobeerd een nieuw akkoord te sluiten. Dat lukte pas tijdens COP21 in Parijs in 2015. In het Klimaatakkoord van Parijs werd nog steeds uitgegaan van verschillende verantwoordelijkheden voor rijke en arme landen. Maar voor het eerst werd van alle landen gevraagd naar vermogen bij te dragen aan het voorkomen van verdere opwarming.
Ook werd een einddoel gesteld: zorgen dat de gemiddelde opwarming van de planeet beperkt blijft tot minder dan 2 graden Celsius, en als het enigszins kan tot minder dan 1,5 graad (ten opzichte van de pre-industriële temperatuur). Klimaatwetenschappers gaven die grenzen aan. Als de wereldgemeenschap die overschrijdt, zullen de gevolgen steeds ernstiger worden.
In het Parijs-akkoord wordt nadrukkelijker dan daarvoor onderscheid gemaakt tussen beleid om klimaatverandering te voorkomen (mitigatie) en beleid om minder kwetsbaar te worden voor de gevolgen van de opwarming (adaptatie). Ook zijn afspraken gemaakt over de financiering van klimaatbeleid, zowel voor mitigatie als voor adaptatie, in ontwikkelingslanden. En er wordt voor het eerst concreet nagedacht over wie moet opdraaien voor schade in landen die zelf nauwelijks hebben bijgedragen aan klimaatverandering.
De grote vraag was al of de wereld de doelen zou halen, maar ze zijn nog verder uit zicht geraakt sinds Donald Trump opnieuw aan de macht kwam in Amerika. De enige landen die het Klimaatakkoord niet hebben geratificeerd zijn Iran, Libië en Jemen, en binnenkort wellicht ook de Verenigde Staten. Net als in zijn vorige ambtstermijn heeft Trump aangekondigd uit het akkoord te stappen. Dat zou nare gevolgen kunnen hebben voor het klimaat. Om bij te dragen aan de klimaatdoelen afgesproken in Parijs, beloofde Joe Biden de uitstoot van broeikasgassen in 2030 te halveren ten opzichte van 2005. Onder leiding van Trump zal dat niet gebeuren, verwachten experts. De emissies zullen ook onder Trump blijven dalen, maar nóg trager.
Wetenschap
Broeikasgassen
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104212/Broeikas-1.png)
Broeikasgassen zijn gassen in de atmosfeer van de aarde die warmte vasthouden door infrarode straling terug te kaatsen naar de aarde, zoals ook een broeikas warmte vasthoudt. Bereikt energie van de zon de aarde, dan is dit vooral in de vorm van kortgolvige straling. Dat licht gaat dwars door de laag broeikasgassen heen. Wanneer diezelfde energie de aarde verlaat, gebeurt dat in de vorm van langere infraroodstraling, die voelt als warmte. Dát is de straling die de broeikasgassen als een deken vasthouden.
Belangrijke broeikasgassen zijn kooldioxide (CO2), methaan, waterdamp en lachgas. Zulke gassen zitten van nature in de lucht en zijn nodig om de aarde op een leefbare temperatuur te houden. CO2 komt bijvoorbeeld in de lucht door een vulkaanuitbarsting. Maar de hoeveelheid broeikasgassen in de lucht neemt toe door mensen, bijvoorbeeld door verbranding van fossiele brandstoffen.
Van alle broeikasgassen ligt de focus vooral op kooldioxide. Waarom? Mensen stoppen hier heel veel van in de lucht: per jaar ruim 35 miljard ton CO2. Daarnaast blijft dit broeikasgas lang – honderden jaren – in de lucht hangen voor het op natuurlijke wijze afbreekt. Dus ook al stoppen álle mensen nu volledig met uitstoten van CO2, dan duurt het nog lang voor het opwarmingseffect verdwijnt. Ook kunnen veel industrieën nauwelijks zonder CO2-uitstoot; die komt onder meer vrij bij verbranding van fossiele brandstoffen voor energie, maar ook bij de productie van beton en staal.
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/06115235/0broeikaseffect.png)
Fossiele brandstoffen
In het klimaatdebat gaat het vaak over fossiele brandstoffen. Deze niet-hernieuwbare brandstoffen, zoals steenkool, aardolie en aardgas, zijn belangrijk voor de energieproductie. En ook al groeit de hoeveelheid energie uit zogeheten duurzame bronnen als zon en wind exponentieel, de mensheid is voor zijn energieverbruik nog steeds voor ongeveer 80 procent afhankelijk van fossiele brandstoffen.
Zoals de naam al zegt, bestaan fossiele brandstoffen voor het grootste deel uit ontbindende planten en andere organismen, die in miljoenen jaren in de aardbodem zijn opgeslagen. Koolstof en waterstof zijn de belangrijkste bestanddelen. Onder hoge druk en hoge temperaturen zijn ze verbindingen aangegaan en zo uiteindelijk omgezet in fossiele brandstoffen. Doordat de mensheid die in korte tijd is gaan gebruiken en verbranden is een grote hoeveelheid van die koolstof in de atmosfeer terechtgekomen, vooral als CO2 (kooldioxide) en CH4 (methaan), de twee belangrijkste broeikasgassen.
Landgebruik
Het gebruik van fossiele brandstoffen is veruit de belangrijkste bron van broeikasgassen in de atmosfeer. Maar ook de manier waarop de mensheid land gebruikt, heeft grote gevolgen voor de opwarming van de aarde. Een van de belangrijkste veranderingen in landgebruik is ontbossing. Bomen zetten kooldioxide om in koolstof en zuurstof, waardoor bossen, zeker als ze nog jong zijn en groeien, kunnen dienen als een opslag voor koolstof, een carbon sink. Ontbossing dient vaak voor landbouw en voor de bouw van steden en infrastructuur.
De manier waarop land wordt gebruikt is dus bepalend voor de uitstoot of opname van broeikasgassen. Een stuk land dat verandert van een bosrijk gebied in een weide voor veeteelt, neemt veel minder CO2 uit de lucht op. Daar komt bij dat veeteelt zelf ook nog eens zorgt voor extra uitstoot van broeikasgassen, vooral lachgas en methaan. Koeien en schapen, bijvoorbeeld, produceren methaan wanneer ze voedsel verteren. In Nederland komt zo’n 10 procent van de uitstoot van broeikasgassen uit de veehouderij.
Kantelpunten
Het IPCC omschrijft kantelpunten (tipping points) als „een kritieke drempel waarboven een systeem reorganiseert, vaak abrupt en/of onomkeerbaar”. De kans op zo’n snelle, onomkeerbare verandering neemt toe als de aarde verder opwarmt. Grote ijskappen kunnen versneld en onomkeerbaar afsmelten, schrijft het KNMI. Oceaanstromingen kunnen vrij snel en radicaal veranderen.
Klimaatwetenschappers illustreren kantelpunten vaak met een bal en twee dalen met daartussen een heuvel. De bal ligt stabiel in het linker dal en zou een flinke schop nodig hebben om in het rechter dal te komen. Maar als door klimaatverandering die heuvel minder hoog wordt, komt er een moment dat een klein duwtje genoeg is. Dan kan de bal gemakkelijk door rollen en ver weg in het rechter dal terecht komen.
Als zo’n proces eenmaal in gang is gezet, kan die zichzelf gemakkelijk versterken. Neem bijvoorbeeld het albedo-effect. IJs reflecteert, omdat het wit is, zonlicht. Wanneer het warmer wordt, smelt het ijs. Zo verdwijnt het witte oppervlak en blijft juist een donkere zee over. Daardoor wordt meer warmte opgenomen, en smelt nog meer ijs.
Een ander voorbeeld is het regenwoud. Afhankelijk van de weersomstandigheden kan het groeien of krimpen, maar gemiddeld verandert er niet veel. Maar als het door klimaatverandering minder regent of warmer wordt, kan het geleidelijk beginnen te krimpen. Er ontstaat een kantelpunt waarbij het aantal bomen verder afneemt en er plotseling veel bomen sterven. Uiteindelijk kan een regenwoud daardoor veranderen in een savanne.
Volgens het KNMI zijn dit soort kantelpunten in het klimaat niet altijd een kwestie van alles of niets. Een grote ijskap kan op verschillende plekken om verschillende redenen ijs verliezen en hoeft niet helemaal weg te smelten. Er kan een nieuwe evenwichtstoestand ontstaan en omdat klimaatverandering een langzaam proces is, hangt het ook van verdere ontwikkelingen af. Dat betekent ook dat de invloed van de mens blijft bestaan.
Geo-engineering
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104334/Geoengineering.png)
Na een grote vulkaanuitbarsting kan de gemiddelde temperatuur op aarde enige tijd een paar tienden van een graad dalen. Dat komt doordat het zonlicht wordt gedimd door de grote hoeveelheid vulkaanstof (vooral zwavelzuur en zwavelverbindingen) in de stratosfeer. Wat zou er gebeuren als mensen dat trucje permanent uithalen? Kun je door zo te knutselen aan het klimaat iets doen om verdere opwarming te voorkomen?
Geo-engineering wordt deze vorm van klimaatbeïnvloeding wel genoemd. Steeds vaker zien klimaatwetenschappers dit als een laatste redmiddel om gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen. Er zijn verschillende mogelijkheden. Behalve zwaveldeeltjes in hogere luchtlagen te verspreiden, kun je bijvoorbeeld ook zeewater vernevelen om witte wolken te maken, die zonlicht weerkaatsen. Een futuristisch idee is een groot aantal satellieten met spiegels de ruimte in sturen die zonlicht tegenhouden.
Onder wetenschappers wordt inmiddels hevig gediscussieerd over de risico’s van geo-engineering en over de vraag of er onderzoek moet worden gedaan naar de haalbaarheid ervan. Sommigen vinden dat je er helemaal niet aan moet willen beginnen en dat zelfs onderzoek ernaar gevaarlijk is. Anderen vinden dat je maar het beste zo goed mogelijk de werking en de gevolgen in kaart kunt brengen, ‘voor het geval dat…’
Een commissie onder leiding van Pascal Lamy, oud-directeur van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), adviseert om wel onderzoek te doen, maar tegelijkertijd een moratorium in te stellen zolang de onzekerheden te groot zijn. De commissie realiseert zich dat het advies er niet toe moet leiden dat landen achteroverleunen als het gaat om het wegnemen van de oorzaken van klimaatverandering (broeikasgassen). Ook moeten er eerst transparante en door de wereldgemeenschap gedeelde afspraken worden gemaakt over besluitvorming. „Dat het controversieel is, kan geen reden zijn om er niet serieus naar te kijken”, zei Lamy bij de presentatie van het rapport.
Gevolgen
Opwarming
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104340/Opwarming.png)
„Ze hebben de term van ‘opwarming van de aarde’ veranderd in ‘klimaatverandering’, omdat opwarming van de aarde gewoon niet werkte (het was te koud)!”. Dat twitterde Donald Trump in 2013, een paar jaar voordat hij president werd. Trump, die klimaatverandering ooit een hoax noemde, herhaalde daarmee een oud complot van klimaatsceptici.
In werkelijkheid was het juist Trumps eigen Republikeinse Partij die de woorden ‘opwarming van de aarde’ bewust ging vermijden. Partijstrateeg Frank Luntz legde in 2002 uit dat toenmalig president George Bush de strijd om het milieu van de Democraten aan het verliezen was. „Het wetenschappelijk debat over klimaat is bijna beslecht [in ons nadeel], maar nog niet helemaal voltooid”, schreef Luntz. Hij adviseerde om niet langer te spreken van opwarming van de aarde, die volgens hem „catastrofale connotaties” heeft, maar in plaats daarvan alleen nog het woord klimaatverandering te gebruiken dat „beter beheersbaar en minder emotioneel” klinkt.
In de dagelijkse praktijk worden beide termen vaak door elkaar gebruikt, al betekenen ze net niet helemaal hetzelfde. ‘Opwarming’ beschrijft de stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde sinds de mensheid massaal fossiele brandstoffen is gaan gebruiken. Die bedraagt inmiddels bijna 1,3 graden Celsius ten opzichte van de pre-industriële tijd (met steeds langere periodes waarin de 1,5 graden-grens wordt overschreden). ‘Klimaatverandering’ gaat meer over de toekomst, over veranderingen die samenhangen met de hogere gemiddelde temperatuur en die er vaak het gevolg van zijn, zoals meer extreem weer, veranderende neerslag- en windpatronen, zwaardere (maar niet per se meer) orkanen en een mogelijk afzwakkende oceaanstroming.
Extreem weer
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104333/Extreemweer3.png)
De afgelopen jaren groeit het aantal berichten over zware hagelbuien, grote wateroverlast, langdurige droogte. Sommige van die extreme gebeurtenissen hebben te maken met klimaatverandering, maar niet allemaal. Vaak is dat heel lastig te bepalen. Veel extreme gebeurtenissen zijn zo zeldzaam, dat het niet meevalt om ze rechtstreeks te koppelen aan het (versterkte) broeikaseffect. Daar komt bij dat het weer heel grillig is en er veel natuurlijke variatie bestaat. Zo is de kans op een koude winter door de opwarming een stuk kleiner dan vroeger, maar is een Elfstedentocht nog steeds niet uitgesloten.
Tijdens de extreem hete zomer van 2023 gebeurden er volgens klimaatwetenschapper Roderik van der Wal dingen die hij en zijn collega’s niet zagen aankomen. „Dat is zorgwekkend”, zei hij daarover in NRC. „Het betekent dat we ook niet precies weten wat ons volgend jaar te wachten staat. Daarmee bevindt het klimaat zich op onbekend terrein.”
Klimaatwetenschappers van de World Weather Attribution (WWA) doen onderzoek naar de relatie tussen extreme weersgebeurtenissen en het klimaat. Zij proberen in te schatten hoe groot de bijdrage van klimaatverandering is aan een bepaalde gebeurtenis. Zo bleek uit een studie van het WWA dat het hitterecord van bijna 50 graden Celsius in het Canadese stadje Lytton op 29 juni 2021 „zo goed als onmogelijk” was geweest zonder klimaatverandering.
Een andere extreme gebeurtenis in diezelfde zomer: de dodelijke overstromingen in België, Duitsland en Zuid-Limburg – deze waren „waarschijnlijker” door het veranderende klimaat. In het najaar van 2024 concludeerde de WWA dat de kans op zware regenval in Midden- en Oost-Europa dit najaar waarschijnlijk is verdubbeld door klimaatverandering. Daarnaast becijferden de wetenschappers dat buien gemiddeld 7 tot wel 20 procent zwaarder worden als gevolg van de opwarming.
Smeltende ijskappen
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104344/Smeltende-ijskappen.png)
Bij een opwarming van 1 tot 3 graden Celsius zal het smelten van de grote ijskappen op Groenland en Antarctica kunnen versnellen en een kantelpunt bereiken, waardoor dat proces niet gemakkelijk meer omkeert. De planeet is wereldwijd nu al 1,2 graden opgewarmd en de afgelopen maanden lag de temperatuurstijging gemiddeld zelfs steeds boven de 1,5 graden opwarming (ten opzichte van de tijd voor de industriële revolutie) – waarvan in het Parijsakkoord is gezegd dat de internationale gemeenschap dat zou moeten voorkomen.
Vooral in het Arctisch gebied gaat de opwarming snel. Volgens NASA heeft Groenland in de laatste decennia veel ijs verloren, zowel door het smelten van het oppervlakte aan ijs als door het afkalven van gletsjers. NASA becijferde dat het gaat om 270 miljard ton per jaar. Op Antarctica, waar veel ijs juist verdwijnt doordat het relatief warme zeewater er van onderaf aan knaagt, gaat het ijsverlies iets langzamer, volgens NASA gemiddeld zo’n 150 miljard ton per jaar.
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/11172311/web111124WET_klimaat_noordpool.png)
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/11172326/web111124WET_klimaat_antarctica.png)
Ook gletsjers in berggebieden hebben het moeilijk. Zij zijn nog gevoeliger voor de opwarming dan de grote ijsmassa’s op Groenland en Antarctica omdat de oppervlaktetemperatuur dichter bij het vriespunt ligt. Het proces van het smelten versnelt bovendien. In 2000 werd de ijslaag van gletsjers gemiddeld ongeveer 36 centimeter dunner, in 2019 was dat al 69 centimeter.
Uit onderzoek van een paar jaar geleden blijkt dat alle gletsjers ter wereld (dat zijn er zo’n 200.000) gezamenlijk ieder jaar ongeveer 267 miljard ton ijs verliezen. Uiteindelijk komt dit smeltwater in zee terecht, waar het zorgt voor ongeveer 0,74 millimeter zeespiegelstijging per jaar.
In het Arctisch gebied gaat ook de hoeveelheid zee-ijs snel achteruit – rond de Zuidpool gebeurt dat veel minder. Voor de zeespiegelstijging heeft het smelten van zee-ijs geen gevolgen. Maar als de ijslaag kleiner en dunner wordt heeft dat wel gevolgen voor het reflecterend vermogen. Het zonlicht wordt minder weerkaatst en de warmte wordt meer opgenomen, waardoor het smelten sneller gaat. Dit verklaart mede waardoor het Arctisch gebied veel sneller opwarmt dan gemiddeld.
Zeespiegelstijging
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104346/Zeespiegelstijging.png)
Het gaat tot nu toe maar om een paar millimeter per jaar, maar op termijn veroorzaakt die stijging van de zeespiegel toenemende problemen, zeker ook in een laaggelegen land als Nederland. Je zou misschien verwachten dat de stijging vooral komt doordat, simpel gezegd, de badkuip voller wordt. Gletsjers smelten, net als de ijskappen op Groenland en Antarctica, al dat water komt uiteindelijk in de oceanen terecht. Maar de grootste stijging, op dit moment ongeveer de helft, wordt veroorzaakt door het uitzetten van het steeds warmere oceaanwater.
Over zeespiegelstijging bestaat nog veel onzekerheid. Die wordt voor het grootste deel veroorzaakt doordat niet duidelijk is hoe snel het terugdringen van de opwarming zal gaan. Zo verwacht het KNMI bij een scenario waarin de uitstoot van broeikasgassen snel wordt teruggedrongen dat de zeespiegel in Nederland tot 2050 zo’n 24 cm zal stijgen, als de uitstoot hoog blijft zal dat ongeveer 27 cm zijn.
Op de langere termijn kan de onzekerheid toenemen, bijvoorbeeld doordat het smelten van het ijs op Groenland een kantelpunt bereikt en het proces heel erg zou versnellen. Ook over de mate waarin het ijs op Antarctica gaat bijdragen aan de zeespiegelstijging bestaat nog veel onzekerheid. Tot nu toe was de verwachting dat het ijs daar relatief stabiel was, maar in de afgelopen jaren blijkt er op sommige plekken sprake van een versnelling van het smeltproces.
Bij een opwarming van 2 tot 3 graden Celsius ten opzichte van de tijd voor de industriële revolutie „wordt de toekomst van Antarctica erg onzeker”, schrijft het IPCC. En juist door de werking van de zwaartekracht zijn de ontwikkelingen van de ijskap op de Zuidpool voor Nederland van extra belang. In een ongunstig scenario kan de zeespiegel aan het einde van de eeuw zeker met 1,2 meter stijgen.
Overigens zijn zelfs bij een (theoretische) stijging van vijf meter nog steeds technische oplossingen mogelijk, bleek eerder uit een berekening van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging. Al zijn er ook wetenschappers die niet uitsluiten dat kustgebieden uiteindelijk moeten worden opgegeven omdat ze onleefbaar worden. Zeespiegelstijging veroorzaakt niet alleen een hogere waterstand, waardoor de kustbescherming moet worden versterkt. Ze leidt ook tot verzilting van het grondwater, waardoor landbouw in sommige kuststreken onmogelijk wordt.
Bosbranden
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104327/Bosbranden.png)
Het ligt voor de hand dat hogere temperaturen en periodes van langdurige droogte die het gevolg zijn van klimaatverandering gemakkelijk kunnen leiden tot meer natuurbranden. Maar klimaatwetenschappers zijn voorzichtig om die conclusie te trekken. Zo staat in recente rapporten van het IPCC dat het aantal natuurbranden juist afneemt. En uitspraken van het IPCC over de relatie tussen branden en klimaat worden door de wetenschappers voorzien van grote onzekerheidsmarges.
Guido van der Werf is expert op dit gebied en relativeerde in een interview in NRC eerder die onzekerheid. Volgens hem zijn klimaatwetenschappers voorzichtig omdat ze niet genoeg gegevens hebben voor al te stevige uitspraken. Om een goed beeld te krijgen van natuurbranden op mondiaal niveau heb je eigenlijk satellietbeelden nodig en die zijn er pas sinds een kwart eeuw. Voor een fenomeen met een grote variatie van jaar tot jaar is het dan lastig om zekere uitspraken te doen.
De verwachting is dat het aantal bos- en natuurbranden zal toenemen. Dat in Australië in de zomer van 2019/2020 in korte tijd een heel groot deel van de bossen in vlammen kon opgaan, dat in 2021 in Siberië de bosbranden maar niet onder controle werden gekregen, de toenemende frequentie van het aantal bosbranden in het westen van de VS en de extreme branden in Canada in de zomer van 2023, zijn signalen van wat de wereld te wachten staat.
Ook in Nederland groeien de zorgen over natuurbranden. De situatie in Nederland laat ook zien dat het niet alleen gaat over klimaatverandering. Zo kunnen natuurbranden ook worden versterkt door bepaalde bomen. Staatsbosbeheer vervangt daarom op sommige plaatsen naaldbomen door loofbomen. Ook helpt het om de vegetatie in de bossen onder controle te houden, bijvoorbeeld door een deel van het lage struikgewas weg te halen.
Natuurbranden kunnen op hun beurt bijdragen aan verdere klimaatverandering. In een natuurlijke cyclus hoeft dat niet zo te zijn. Dan wordt de CO₂ die vrijkomt bij de brand weer opgenomen door de nieuwe bomen. Maar als de frequentie toeneemt en verder gaat afwijken van de ‘normale’ brandcyclus blijft een groter deel van de CO₂ in atmosfeer en zorgt zo voor extra opwarming.
Orkanen
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104341/Orkaan.png)
Afgelopen zomer was het zeewater bijna overal op de wereld opvallend warm. Dat gaf extra energie aan de orkaan Helene, die op 26 september aan land kwam en grote schade aanrichtte in het zuidoosten van de Verenigde Staten. Volgens de wetenschappers van de World Weather attribution, droeg klimaatverandering zo in belangrijke mate bij aan de verwoestende kracht van Helene.
Over de rol van de opwarming van de aarde en orkanen is het laatste woord nog niet gesproken. Tot nu toe ging het IPCC ervan uit dat het aantal orkanen niet zal toenemen als gevolg van klimaatverandering, en mogelijk zelfs iets zou kunnen afnemen. Wel is de verwachting dat orkanen krachtiger worden en voor meer en zwaardere neerslag zullen zorgen.
Niet alleen zorgt de opwarming van de aarde voor warmer oppervlaktewater in de oceanen – en dat is waar een orkaan zijn brandstof vandaan haalt; ook leidt de opwarming tot een hogere luchtvochtigheid, met als gevolg dat orkanen vaker gepaard gaan met zeer extreme neerslag. Uit een onderzoek uit 2017 in Environment Research Letters blijkt dat klimaatverandering de kans op neerslaghoeveelheden als door orkaan Harvey verdrievoudigd heeft.
AMOC / oceaanstromen
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104340/Oceaanstromen2.png)
Klimaatmodellen voorspellen al decennia dat een gigantische en invloedrijke oceaanstroom in de Noord-Atlantische Oceaan gaat haperen, waardoor weerspatronen drastisch kunnen veranderen en de zeespiegel op sommige plekken kan gaan stijgen. Dit gaat over de AMOC (Atlantic meridional overturning circulation).
De AMOC verplaatst zo’n 6.800 olympische zwembaden per seconde en stroomt van noord naar zuid en terug. Die stroming neemt warmte mee, ongeveer 1015 watt, uit het zuiden naar het noorden. Goed voor 25 procent van het warmtetransport op het noordelijk halfrond.
Wie wil zien hoe belangrijk die warmteverplaatsing is, hoeft er alleen maar een wereldkaart bij te pakken. Rome heeft veel warmere winters dan New York, terwijl New York zuidelijker ligt. En Nederland ligt zo ongeveer even noordelijk als Newfoundland, waar de gemiddelde wintertemperatuur niet boven het vriespunt uitkomt. (Deels) dankzij de AMOC heeft Nederland een mild klimaat.
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/10/04103913/WEB-051024WET_AMOC_wereld-3.png)
De motor achter de AMOC is verschil in zoutgehalte in temperatuur. Koud water is zwaarder omdat de moleculen in koud water dichter op elkaar zitten, en wie duikt weet dat zout water zwaarder is dan zoet. Op plekken waar het water koud en zout is, zakt het naar beneden (convectie) en duwt water weg. Zo komt de stroming op gang. Door de diepe oceaan kruipt het water zuidwaarts, komt omhoog nabij de Tropen, warmt op en gaat via ondiepe lagen weer noordwaarts. Dat is het idee.
Helemaal begrijpen hoe de AMOC werkt doet nog niemand, maar wel volgt al decennia uit klimaatmodellen dat de AMOC hapert door klimaatopwarming. Waarom? De Groenlandse ijskap verliest door klimaatopwarming enorm veel ijs (250 miljard ton per jaar). De toevoer van dat zoete water laat het systeem haperen, dat is de natuurkunde achter de modelvoorspellingen. Wetenschappers hebben ook aanwijzingen gevonden in boorkernen uit ijs en steen dat de AMOC vertraagde in de echte wereld aan het einde van een ijstijd.
Als de AMOC te veel vertraagt, kan het een omslagpunt (tipping point) overschrijden waardoor de hele stroming instort. Volgens het IPCC is het very likely dat de AMOC deze eeuw vertraagt, maar een abrupte volledige stilvalling verwacht het (nog) niet, met medium confidence. Of en wanneer dat gebeurt, is nog punt van discussie, maar het is wel een van de grootste zorgen van klimaatwetenschappers.
Want een geleidelijke afname of abrupte stilvalling: het rommelen aan de AMOC zal vermoedelijk grote consequenties hebben, zeggen klimaatwetenschappers. Als die warme stroming wegvalt, kan het in Europa een stuk kouder worden (en op andere plekken die hun warmte niet meer kwijt kunnen juist heter). De zeespiegel voor de kust van Noord-Amerika kan behoorlijk stijgen, omdat daar minder water wordt weggevoerd vanuit de kust, om maar twee voorbeelden te noemen.
Beleid
Mitigatie
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104339/Mitigratie.png)
Doel van mitigatie is klimaatverandering beperken door de hoeveelheid broeikasgassen die mensen in de lucht stoppen terug te dringen. De meest voor de hand liggende manier hiervoor is de bronnen van deze gassen te verminderen. Denk aan minder fossiele brandstoffen verbranden, zuiniger omgaan met energie, vegetarisch eten, tweedehands spullen kopen en minder reizen met het vliegtuig of met de auto.
Een belangrijk deel van de uitstoot van broeikasgassen komt uit verbranding van fossiele brandstoffen om energie op te wekken. Overstappen op duurzame energiebronnen die minder broeikasgassen uitstoten, is daarom een belangrijke vorm van mitigatie. Voorbeelden van duurzame energie zijn zonne- en windenergie en energie uit geothermie. Voor dat laatste wordt warmte uit de aarde omhoog gepompt en gebruikt om gebouwen te verwarmen. In IJsland wordt geothermie al veel gebruikt. In Nederland loopt een grootschalig onderzoek naar de mogelijkheden.
Stoppen met uitstoten van broeikasgassen (of verminderen ervan) is slechts één manier om de concentratie broeikasgassen in de lucht terug te dringen. Wetenschappers en beleidsmakers denken ook na over manieren om de hoeveelheid ‘putten’ (‘sinks’) van broeikasgassen te vergroten. Dat wil zeggen: meer plekken maken die broeikasgassen opslaan en ze op die manier uit de lucht houden. Bomen, bijvoorbeeld, nemen het broeikasgas CO₂ op. De groene bladeren halen CO₂ uit de lucht en zetten dit om in glucose voor groei van de boom. Door simpelweg meer bomen te planten, sla je meer CO₂ op en blijft er minder van in de lucht zitten. Een andere manier is door bij de schoorsteen van een fabriek CO₂ af te vangen, en dat in vloeibare vorm te transporteren om het daarna ergens onder de grond op te slaan. Dat heet carbon capture and storage (CCS).
Een belangrijke vraag in het klimaatdebat is: wie gaat betalen voor adaptatie en mitigatie? Wat is daarbij rechtvaardig? Arme landen hebben nauwelijks bijgedragen aan het ontstaan van het probleem, maar daar wordt klimaatverandering het hardst gevoeld. Arme landen hebben minder geld voor manieren om zich aan te passen aan een opwarmende wereld.
Historische uitstoot van CO₂
Historische emissies zijn alle emissies die (door verbranding van kolen, olie en gas en door houtkap en andere vormen van landgebruik) onder de verantwoordelijkheid van landen zijn uitgestoten sinds het begin van de industriële revolutie. De emissies van koloniën, zoals Nederlands-Indië, Brazilië en Congo zijn opgeteld bij de kolonisator.
Adaptatie
Adaptatie gaat over het leven in een opwarmende wereld. In tegenstelling tot mitigatie gaat het hier niet om vermindering van klimaatverandering, maar om het bedenken van manieren om beter te leven met de gevolgen van klimaatverandering, waar mitigatie gefaald heeft. Hoe moet een land worden ingericht om de gevolgen van intensere weersextremen te beperken? Hoe kan een kustlijn beschermd worden tegen een stijgende zeespiegel? Hoe verklein je de risico’s van voedselonzekerheid als de grond straks te droog is voor sommige gewassen? En hoe moeten mensen, dieren en infrastructuur beschermd worden tegen hittestress? Dit zijn vragen die vallen onder klimaatadaptatie – een proces dat volgens critici niet snel genoeg gaat.
Vergroenen van steden is een voorbeeld van klimaatadaptatie. Klimaatverandering zorgt voor meer, langere en intensere hittegolven. Vooral steden hebben hier last van. Die koelen ’s nachts minder goed af dan hun omringende landelijke gebieden door de vele en hoge gebouwen: het ‘hitte-eilandeffect’. Daarnaast houden steen, asfalt en beton in de stad veel warmte vast. Volgens het KNMI kan het verschil in temperatuur tussen stad en landelijk gebied oplopen tot 4 graden voor een stad met 10.000 inwoners, en tot 7 graden voor een stad met 200.000 inwoners. Een manier om steden te verkoelen is door meer ruimte te maken voor planten en bomen. Via verdamping en schaduw zorgen die voor verkoeling. Een andere vorm van klimaatadaptatie is het verbouwen van gewassen die beter tegen hitte kunnen.
Meer drastische voorbeelden zijn de technologische oplossingen waarmee de mensheid aan de knoppen van de thermostaat van de aarde zit om de opwarming ervan minder te voelen. Wetenschappers aan de TU Delft doen bijvoorbeeld onderzoek naar hoe ze wolken witter kunnen maken, zodat die wolken meer zonlicht weerkaatsen en zo voor verkoeling zorgen. Daar willen zij zeewater voor gebruiken, dat ze onder hoge druk de lucht in pompen. Om wolken te vormen, moet water in de lucht condenseren. Daarvoor zijn aerosolen zoals zout nodig, waar die druppels op kunnen condenseren. Als mensen zoutkristallen aan de lucht toevoegen, ontstaan meer waterdruppels. En hoe meer druppels, hoe witter de wolk.
Klimaatschade
Was de wereldgemeenschap nu maar veel eerder begonnen met de reductie van broeikasgassen. Dan hadden we nu veel minder last van extreem weer, zou de zeespiegel minder snel stijgen en hoefden landen zich minder vergaand aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering.
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/11131035/web121124WET_klimaatlexicon_weersextremen-1.png)
En als diezelfde wereldgemeenschap eerder was begonnen zich aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering en daardoor minder kwetsbaar was geworden, dan was de schade die de opwarming nu al op veel plekken veroorzaakt minder groot. Pas sinds de klimaattop in 2022 in het Egyptische Sharm-el-Sheikh is ‘Loss and damage’, schade en verlies, een van de grote onderwerpen in de onderhandelingen geworden. Het heeft nooit veel prioriteit gehad.
Loss and damage is een zeer gevoelig onderwerp. Want het gaat over verantwoordelijkheid en schuld. Rijke landen hebben de meeste broeikasgassen gebruikt en ze zijn daarom bang te moeten opdraaien voor de ellende die klimaatverandering op allerlei plekken op aarde kan veroorzaken. Niet voor niets is in het Klimaatakkoord van Parijs expliciet vastgelegd dat het akkoord geen juridische basis biedt voor welke aansprakelijkheid dan ook.
Vooral de Verenigde Staten zijn bang dat zo’n aansprakelijkheid ze geld gaat kosten. Niet alleen hebben zij de grootste historische verantwoordelijkheid voor de uitstoot van broeikasgassen, ook per hoofd van de bevolking stoten Amerikanen nog steeds veel uit in vergelijking met Europa en China.
Voor de VS zijn dat geen argumenten. „Ik ben niet van plan me schuldig te gaan voelen”, antwoordde de Amerikaanse klimaatgezant John Kerry vorig jaar op de vraag of zijn land wilde meebetalen aan klimaatschade in arme landen. Duidelijker kon hij het niet zeggen.
Het koolstofbudget
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104337/Koolstofbudget.png)
Klimaatwetenschappers hebben inmiddels een behoorlijk nauwkeurig beeld van wat de stijgende concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer doet met de gemiddelde temperatuur op aarde. Op grond daarvan hebben ze een inschatting gemaakt over de hoeveelheid CO₂ die nog beschikbaar is voordat de strenge temperatuurgrens van het Parijsakkoord (maximaal 1,5 graad Celsius opwarming van de aarde) wordt overschreden. Het restje CO₂ dat we nu nog mogen uitstoten, heet ook wel ‘het koolstofbudget’.
Wereldwijd is sinds het begin van de industriële revolutie al ongeveer 90 procent van het totale budget opgebruikt. Meestal voegen wetenschappers eraan toe dat het gaat om een fiftyfifty-kans om onder de 1,5 graad te blijven – en dus een even grote kans om er toch (een beetje) overheen te schieten.
Op basis van de huidige uitstoot wordt de grens over zo’n jaar of tien bereikt. Tegen die tijd zou de uitstoot dus eigenlijk ‘netto nul’ moeten zijn. Dat wil zeggen dat er evenveel CO₂ in de atmosfeer terechtkomt als er uit verwijderd wordt, met technologie of door nieuwe bossen aan te planten. Klimaatwetenschappers gaan er intussen vanuit dat dit niet zal lukken. De meeste rijke landen mikken op klimaatneutraliteit, of netto-nuluitstoot vanaf 2050. De discussie in de klimaatonderhandelingen gaat om de vraag wie recht heeft op welk gedeelte van het resterende budget.
Klimaatonderhandelingen
Alle landen zijn gebaat bij het voorkomen van gevaarlijke opwarming, en dus bij een snelle reductie van broeikasgassen. Maar niet voor iedereen is het gevaar even groot. Kleine eilandstaten bijvoorbeeld worden al in hun voortbestaan bedreigd als de temperatuurstijging boven de 1,5 graad uitkomt. Terwijl de bevolking in Siberië het niet erg zou vinden als het gemiddeld een paar graden warmer zou zijn.
Dat laatste is overigens niet helemaal waar, want de veranderingen die de temperatuurstijging met zich meebrengt, zullen ook voor Siberië uiteindelijk negatieve gevolgen hebben – zoals een grote toename van het aantal bosbranden. Over het algemeen blijken ontwikkelingslanden kwetsbaarder voor de gevolgen van klimaatverandering dan rijke – vooral omdat ze niet de middelen hebben om hun weerbaarheid te vergroten. Maar als de uitstoot van broeikasgassen onvoldoende wordt teruggedrongen, zullen ook rijke landen niet aan de schadelijke gevolgen kunnen ontkomen.
Die verschillende uitgangsposities maken onderhandelingen heel lastig. Geïndustrialiseerde landen hebben hun welvaart te danken aan het gebruik van fossiele energie, met de bijbehorende broeikasgassen. Dat geeft ze in de discussie een extra verantwoordelijkheid voor het ontstaan van klimaatverandering. Nog steeds is de historische uitstoot van de Verenigde Staten veel groter dan die van China, ook al is China al jaren de grootste klimaatvervuiler en is zeker dat zonder streng Chinees klimaatbeleid de doelstellingen onhaalbaar zijn.
Als de VS niet bereid zijn die verantwoordelijkheid te nemen zolang China niet net zo veel of meer doet, en China afwacht tot de VS in zijn ogen voldoende maatregelen hebben genomen, gebeurt er te weinig. Zo gaan de klimaatonderhandelingen gebukt onder een ‘prisoner’s dilemma’, dat wil zeggen dat nastreven van het eigen belang voor iedereen dreigt te leiden tot een situatie die ongunstiger is dan wanneer alle partijen zouden handelen vanuit een collectief belang.
Daarnaast wordt het mondiale klimaatbeleid ook nog gehinderd door wat wel het ‘free-rider-probleem’ wordt genoemd. Ook als een land zelf laks is bij het nemen van maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen te reduceren, heeft het er baat bij als andere landen wél heel streng zijn voor zichzelf. Het probleem: als je gratis kunt meeliften op de emissiereducties van anderen, is het aantrekkelijk zelf zo min mogelijk te doen. Zo wijst iedereen naar elkaar.
Een klein land als Nederland zou bijvoorbeeld kunnen zeggen dat de bijdrage aan de opwarming zo gering is dat het weinig zin heeft actie te ondernemen. Met een beetje geluk zit Nederland daardoor voor een dubbeltje op de eerste rang. Maar als iedereen zo zou denken, komt er nooit genoeg klimaatbeleid om de risico’s in toom te houden.
Economie
Energietransitie
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104332/EnergieTransitie.png)
Om de broeikasgasuitstoot terug te dringen en de wereldwijde opwarming onder de 1,5 graden Celsius te houden, moeten landen overstappen van niet-hernieuwbare brandstoffen, zoals steenkool, aardolie en aardgas, op duurzame alternatieven zoals elektriciteit uit zon en wind. Tijdens die energietransitie moet de energievoorziening betrouwbaar blijven. Een monsteropgave waarbij een hoop gebeurt én een hoop vastloopt.
Eerst even: wanneer is een energiebron hernieuwbaar? Wanneer ze sneller worden aangevuld dan ze worden verbruikt, zoals de wind. Fossiele brandstoffen daarentegen, zoals olie, hebben honderden miljoenen jaren nodig om zich weer aan te vullen. Bij de verbranding van fossiele brandstoffen komen broeikasgassen, zoals CO₂, in de lucht terecht die honderden miljoenen jaren in die fossiele bron opgeborgen zaten, weg van de atmosfeer.
Onder hernieuwbare bronnen verstaan we onder meer:
- zonne-energie
- windenergie
- geothermische energie, waarbij warm water uit de diepe aarde omhoog wordt gehaald. IJsland is hét geothermieland. In Nederland loopt een proef van Delftse ingenieurs die met warmte uit de diepe aarde gebouwen proberen te verwarmen.
- Waterkrachtcentrales, waarbij de kinetische energie uit stroming en golven wordt omgezet in elektriciteit. Deze bron is efficiënt, maar ook omstreden, omdat bij de aanleg van dammen soms grote stukken land onder water worden gezet waardoor mensen moeten verhuizen.
- Groen gas. Bij de productie van groen gas breken bacteriën restafval, zoals uienschillen en maiskiemen, af in vergisters, waarbij gasbellen van methaan en CO2 ontstaan. Daarbij komt dus – net als bij de verbranding van aardgas – CO2 in de lucht. Alleen, het verschil met fossiele brandstoffen is dat die CO2 niet lang voor de verbranding nog opgenomen werd uit de lucht door bijvoorbeeld die uien. Door die circulariteit van CO2 is deze bron dus duurzaam, zeggen voorstanders. Maar deze bron is ook omstreden, omdat er toch tijdelijk CO2 de lucht in gaat. Ook vrezen mensen stankoverlast.
- Groene waterstof. Dit wordt gemaakt door groene elektriciteit van windmolens of zonneparken door water heen te leiden. Daarbij ontstaat een chemische reactie, elektrolyse geheten, waarna watermoleculen splitsen in waterstof en zuurstof. De waterstof kan een energiebron zijn voor bijvoorbeeld hoogovens of vrachtwagens. Door de hoge kosten en terughoudende producenten, komen groene waterstofinstallaties nog niet echt van de grond.
- Kernenergie is niet hernieuwbaar, maar wordt wel gezien als een groene energiebron. In kerncentrales botsen neutronen op radioactieve atomen, meestal een bepaald type uranium (U-235), waarbij het atoom uiteenvalt. Daarbij komt enorm veel energie maar geen CO2 vrij. In die zin is het dus een duurzame energiebron. Kernenergie is niet hernieuwbaar, omdat de hoeveelheid uranium op de wereld eindig is. Of er genoeg uranium beschikbaar is voor de wereldwijde energietransitie, daar zijn de meningen over verdeeld: conclusies van studie naar de voorraden variëren van ‘genoeg voor enkele decennia’ tot ‘ruim honderd jaar’, met het huidig verbruik en kerncentrales. Grotere belemmeringen voor voorstanders van nieuwe kerncentrales dan voorraad zijn radioactief afval en de vrees voor nucleaire ongevallen.
Ondanks de snelle groei in capaciteit uit hernieuwbare bronnen is de wereld nog steeds zwaar afhankelijk van fossiele brandstoffen. Vorig jaar kwam 81,5 procent van de opgewekte energie wereldwijd uit fossiele bronnen.
Maar dat betekent dus niet dat er niets gebeurt. De kosten van wind- en zonne-energie zijn de laatste jaren sterk gedaald; in bijna elk land is dit nu de goedkoopste optie voor elektriciteitsopwekking. In rap tempo bouwen landen aan duurzame energiebronnen. Met China als koploper, hoewel China ook nog steeds kampioen vervuiler is. Dat de kosten voor schone energie-alternatieven zo dalen, leidde er zelfs toe dat sommige wetenschappers ervoor pleiten het meest pessimistische klimaatscenario voor het jaar 2100, met een wereld die misschien wel 5 graden Celsius opwarmt, overboord te gooien. Door de opkomst van steeds goedkopere schone energie zou dat scenario niet meer realistisch zijn.
Landen spraken in 2023 in Dubai tijdens de klimaatconferentie COP28 af om de wereldwijde capaciteit voor hernieuwbare energie te verdrievoudigen per 2030. In een rapport verschenen in 2024 van het Internationaal Energieagentschap (IEA) stond dat de wereld dat met het huidige beleid nét niet gaat halen. Het is wel haalbaar als „regeringen op korte termijn kansen voor actie aangrijpen”, schreven de auteurs. Een van de grote uitdagingen voor veel landen is dat ze nu hard moeten bouwen aan de infrastructuur om de duurzaam opgewekte elektriciteit te kunnen vervoeren van bron naar gebruiker. In Nederland zit het stroomnet vol: op piekmomenten is er ‘file’ op het elektriciteitsnet en moeten bijvoorbeeld zonnepanelen worden uitgezet of krijgen bedrijven geen aansluiting op het stroomnet. Wereldwijd moeten er miljoenen kilometers aan kabels bij.
Emissiehandel
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104331/Emissiehandel.png)
Het idee achter emissiehandel is simpel. Een land of groot bedrijf krijgt ‘recht’ om een bepaalde hoeveelheid klimaatopwarming te veroorzaken (in andere woorden: een bepaalde hoeveelheid broeikasgassen uit te stoten). Hoeveel dat is, hangt af van een aantal factoren, zoals de grootte van het bedrijf of land en historische omstandigheden. Komt een bedrijf met allerlei slimme, schone technologieën om onder die afgesproken bepaalde hoeveelheid te blijven, dan houdt dat bedrijf ‘emissieruimte’ over die het vervolgens kan bewaren voor een ander moment, of verkopen. Klanten van die emissieruimte zijn dan bedrijven die zich niet kunnen beperken tot hun afgesproken hoeveelheid emissies. Het doel van deze emissiehandel is dat het tegengaan van verdere klimaatopwarming wordt overgelaten aan de markt.
Elektrificatie en transport
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104330/Elektrificatie.png)
Om de klimaatdoelen te halen, moet de wereld weg van fossiele brandstoffen en overstappen op duurzaam opgewekte elektriciteit (of andere alternatieven). Ook in de transportwereld. Volgens het Internationaal Energieagentschap draaide de transportsector in 2022 nog voor 91 procent op fossiele brandstoffen. Hier valt een hoop te winnen.
Vooruitgeduwd door allerlei subsidies en beleid ziet de wereld al steeds meer elektrische auto’s op de weg rijden en de bijbehorende laadpalen verschijnen. Vooral in China. Een goede ontwikkeling, maar op sommige punten loopt de elektrificatie vast. In Nederland mogen er niet overal nieuwe laadpalen bij, omdat het stroomnet vol zit. Gemeentes denken na over manieren om die laadpalen alleen in de nacht aan te zetten, om te voorkomen dat mensen tijdens piekuren op het stroomnet veel elektriciteit gebruiken om de auto op te laden.
Vrachtwagens, vliegtuigen en scheepvaart zijn lastiger te elektrificeren. Voor die sectoren zullen biobrandstoffen, biogassen of waterstof een grote rol gaan spelen. Maar die brandstoffen zijn duurder dan hun fossiele tegenhangers, daarom gaat de ontwikkeling hiervan nog niet heel rap. Om de vraag te stimuleren ondanks de hoge kosten, komt er in de EU een bijmeng-verplichting voor vliegtuigen. Vanaf 2025 zijn EU-lidstaten verplicht 2 procent duurzamere kerosine (SAF) bij te mengen. In 2050 moet dat al 70 procent zijn. Hoe streng de sancties gaan zijn wanneer een luchtvaartmaatschappij zich hier niet aan houdt, moet nog blijken.
Er wordt trouwens wel geëxperimenteerd met batterijen voor de scheepvaart en er vliegen al wel kleinere elektrische vliegtuigen rond, maar de maximale afstand daarvan is wel zo’n beetje Amsterdam-Flevoland. De vraag is of we ooit ook grote internationale vliegtuigen aan een laadpaal zullen zien staan op de vliegvelden.
Koolstofopslag
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104329/CO2-Opslag.png)
Van nature wordt koolstofdioxide ofwel CO₂ uit de lucht gehaald door bijvoorbeeld bomen en de oceanen. Maar op dit moment pompen mensen zo veel CO₂ de lucht in, dat de natuurlijke afvoerputjes het niet kunnen bijbenen. De hoeveelheid CO₂ blijft zich opstapelen en de wereld warmt op.
Daarom proberen mensen zelf ook koolstofafvoerputjes te maken, het liefst direct bij een fabriek waarbij CO₂ aan de schoorsteen wordt afgevangen vóór het de lucht in gaat. Die opgevangen CO₂ wordt dan samengeperst tot het vloeibaar is en wordt vervolgens via schepen en/of pijpleidingen getransporteerd naar een opslaglocatie. Dit heet carbon capture and storage (CCS).
Over heel de wereld bouwen landen aan CCS-installaties. In Nederland werkt Porthos aan een installatie om de CO₂ van vier grote uitstoters in de Rotterdamse haven af te vangen (jaarlijks 2,5 miljoen ton CO₂, oftewel 1,5 procent van de jaarlijkse Nederlandse uitstoot) en in een leeg gasveld onder de Noordzee te bewaren. Als dit succesvol is, zou het ook een techniek kunnen zijn voor andere grote vervuilers.
Of CCS echt een grote rol gaat spelen in het tegengaan van verdere klimaatopwarming, is nog onduidelijk. Nu zijn 41 CCS-installaties actief, volgens het Global CCS Institute. Die vangen samen 49 miljoen ton CO₂ per jaar op. Om dat in perspectief te plaatsen: de wereld stootte vorig jaar 37.000 miljoen ton CO₂-equivalent uit. CCS-installaties kosten nu nog gigantish veel geld (de kosten voor het afvangen van CO₂ variëren tussen de 30 en 100 euro per ton). Tegenstanders zeggen ook dat CCS voor bedrijven en landen een excuus is om door te gaan met het uitstoten van CO₂, omdat ze kunnen zeggen dat ze het wel opvangen en wegstoppen. Volgens sommige milieuorganisaties kunnen subsidies beter worden besteed aan projecten die proberen de uitstoot de verminderen. Voorstanders zeggen juist dat CCS een cruciale aanvullende maatregel is om de afgesproken klimaatdoelen te halen, om de wereldwijde opwarming te beperken tot 2 graden en liever nog 1,5 graad.
Grondstoffen
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104335/Grondstoffen.png)
Soms is duidelijk dat een bepaalde stap genomen moet worden om klimaatopwarming te beperken, minder fossiele brandstoffen gebruiken bijvoorbeeld. En soms ligt het complexer, zoals wat te doen met grondstoffen.
Grondstoffen zijn cruciaal voor de energietransitie, wat weer nodig is om de broeikasgassen uitstoot terug te dringen. Lithium, kobalt en nikkel zijn bijvoorbeeld nodig voor nieuwe batterijen voor elektrische voertuigen en duurzame energieopslag. Neodymium zit in de magneten van windturbines. De vraagt naar grondstoffen stijgt, maar de zware machines en explosieven die gebruikt worden bij het delven, stoten broeikasgassen uit. Daarnaast zijn er ook allerlei andere effecten van het delven en raffineren op het milieu, zoals biodiversiteitsverlies na het verwoesten van de natuur. Voor grondstoffen als hout en soja worden bovendien grote stukken bos gekapt, die vervolgens geen CO₂ meer kunnen opslaan.
De Europese Commissie wil dat in 2030 een kwart van de kritieke grondstoffen (grondstoffen die belangrijk zijn voor onze economie, maar waarvan niet zeker is of er in de toekomst genoeg van is, zoals lithium en nikkel) die in Europa worden verwerkt, uit recycling komen. Landen praten nog over hoe dit doel te realiseren. Op die manier wordt Europa minder afhankelijk van bijvoorbeeld China.
Maatschappij
Klimaatprotest
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104342/Protest-1.png)
Vijftien jaar oud was Greta Thunberg, toen ze in augustus 2018 met haar schoolstaking begon in de Zweedse hoofdstad Stockholm. Wat heeft het voor zin om nog naar school te gaan als onze generatie door klimaatverandering geen toekomst meer heeft, vroeg ze zich af. Met haar individuele actie wist ze wereldwijd generatiegenoten te raken. Haar ‘Skolstrejk för klimatet’ was het begin van een grote klimaatbeweging met jongerenprotesten over de hele wereld.
Thunberg werd het icoon van deze beweging. Ze sprak bij de Verenigde Naties, in het Europees Parlement en het Amerikaanse Congres. Nooit nam ze daarbij een blad voor de mond. Onderhandelingen over klimaat noemde ze „dertig jaar blah, blah, blah”. Op een VN-bijeenkomst waarvoor ze was uitgenodigd had ze het over „zogenaamde leiders die jonge mensen [hebben] uitgekozen voor bijeenkomsten als deze om te doen alsof ze naar ons luisteren”.
Bij demonstraties gingen sindsdien in steden over de hele wereld vaak tienduizenden mensen de straat op om een strenger klimaatbeleid te eisen, zoals een verbod op nieuwe kolencentrales, een moratorium op het zoeken naar olie- en gasvelden, een verbod op reclame voor zwaar vervuilende producten, een einde aan subsidies op fossiele brandstoffen. Het protest werd gesmoord door de coronacrisis en is daarna niet meer in dezelfde omvang teruggekeerd. Maar intussen is het palet aan klimaatactivisten alleen maar kleurrijker geworden, van ‘traditionele’ milieugroepen als Greenpeace en Milieudefensie tot nieuwlichters als Extinction Rebellion en Fossielvrij NL. Sommige proberen hun eisen kracht bij te zetten met snelwegbezettingen of het besmeuren van (met glas beschermde) kunstwerken.
Rechtspraak
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104343/Rechtspraak.png)
Wereldwijd worden inmiddels een paar duizend rechtszaken gevoerd over klimaatbeleid en er lijken er steeds meer bij te komen. Daarmee is klimaatrecht een krachtig wapen geworden van activisten die zich inzetten voor een sterker beleid. In de meeste rechtszaken zitten overheid of bedrijfsleven in de beklaagdenbank. Bij rechtszaken tegen de overheid gaat het vaak om niet nagekomen afspraken en klimaatverdragen, bij bedrijven vaak om ‘greenwashing’ – waarmee het bedrijf zich mooier en ‘groener’ voordoet dan het is.
Twee van de meest opmerkelijke gerechtelijke uitspraken op het gebied van klimaat waren in Nederland. In 2015 won duurzaamheidsorganisatie Urgenda een rechtszaak tegen de Nederlandse staat, een vonnis dat in 2018 in hoger beroep werd bekrachtigd en ook een jaar later in cassatie stand hield. De overheid, constateerde de rechter, hield zich niet aan het eigen klimaatbeleid en bracht daardoor de bevolking in gevaar. Het recht op leven en het recht op een privé- en familieleven zijn bijvoorbeeld verankerd in de Europese mensenrechten.
De andere grote rechtszaak in Nederland was die van Milieudefensie tegen Shell. Daarin ging het om de vraag of een bedrijf is gehouden aan afspraken die overheden met elkaar hebben gemaakt in het Klimaatakkoord van Parijs (2015) over het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Volgens Milieudefensie is de uitstoot van Shell zo hoog dat ‘Parijs’ alleen gehaald kan worden als ook bedrijven zich daaraan committeren.
Ook buiten Nederland hebben rechters opmerkelijke vonnissen uitgesproken. Recent oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat Zwitserland te weinig doet om zijn burgers te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Eerder werden ook onder meer Noorwegen, Pakistan en België door rechterlijke uitspraken gedwongen hun klimaatbeleid aan te scherpen.
Klimaatscepsis
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104344/Scepsis.png)
Vlak voor de mislukte klimaattop in Kopenhagen in december 2009, waar een nieuw mondiaal klimaatverdrag moest worden gesloten, wisten hackers de website van de Climate Research Unit van de universiteit van East Anglia binnen te dringen en een grote hoeveelheid e-mails te stelen van klimaatwetenschappers. Het is nooit opgehelderd wie er achter de hack zat, maar het doel was duidelijk: de klimaatwetenschap in diskrediet brengen. Climategate was geboren.
Uit een analyse van de mails zou blijken dat klimaatwetenschappers bewust met data hadden geknoeid en dat ze onwelgevallige conclusies probeerden te verbergen. Dat was onzin, concludeerden zowel de rechter als parlementaire onderzoekscommissies, maar de twijfel was gezaaid. Sindsdien is de scepsis, die stelt dat de opwarming niet bestaat of in ieder geval niet door mensen is veroorzaakt, ingehaald door de werkelijkheid. Toen klimaatverandering nog iets van de (verre) toekomst was, kon je nog zeggen dat het allemaal onzin was, maar door extremer weer, langduriger droogtes, toenemende intense hittegolven, ongekend zware buien en snel slinkende gletsjers valt de opwarming nog maar moeilijk te ontkennen.
Ook vóór Climategate werd de twijfel over klimaatwetenschap bewust gevoed. Dat gebeurde vooral door de fossiele industrie. Oliemaatschappijen als Shell en Exxon hadden veel kennis over de gevolgen van de uitstoot van broeikasgassen. Al in 1962 waarschuwde het hoofd van de geologische dienst van Shell dat de activiteiten van het bedrijf konden leiden tot ‘een ernstige vergiftiging van de atmosfeer’. Aanvankelijk deelde Shell deze kennis ook wel met de buitenwereld, totdat steeds duidelijker werd dat maatregelen tegen klimaatverandering wel eens ten koste van de eigen bedrijfsvoering zouden kunnen gaan.
Klimaatscepsis bestaat nog steeds, maar is wel veranderd. De meeste sceptici ontkennen niet langer dat de opwarming van de aarde bestaat en zelfs niet dat die voor een deel door de mens wordt veroorzaakt, maar ze bagatelliseren wel de gevolgen. In Nederland is de organisatie Clintel actief, die naar eigen zeggen ‘objectief bericht over klimaatverandering en klimaatbeleid en die stem van de rede wil zijn in het vaak oververhitte klimaatdebat’. In de praktijk probeert Clintel de ‘consensus’ onder klimaatwetenschappers (meer dan 90 procent denkt dat klimaatverandering bestaat, door de mens is veroorzaakt en ernstige maatschappelijke gevolgen zal hebben) onderuit te schoffelen. Ze suggereren dat consensus een teken is van onwetenschappelijkheid.
Maatschappijvisie
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104338/Maatschappijvisie.png)
Al in 2006 concludeerde de Britse econoom Nicholas Stern in zijn vermaarde onderzoek naar de economie van klimaatverandering, The Stern Review, dat de opwarming van de aarde grote gevolgen heeft voor economische groei en ontwikkeling. Zijn belangrijkste conclusie was dat „de kosten van het stabiliseren van het klimaat hoog zijn, maar beheersbaar”. Uitstel van klimaatbeleid zou volgens hem juist „gevaarlijk zijn en veel duurder uitpakken”.
Stern, die pleit voor een eerlijke verdeling van die kosten, ging er destijds nog van uit dat klimaatbeleid het streven naar groei niet hoeft te beperken – zeker niet in arme landen, maar ook niet in rijke landen. Over dat laatste bestaat inmiddels meer discussie. Een stroming binnen de milieuwetenschap wijst op de zogeheten planetaire grenzen: ongebreidelde groei zal uiteindelijk ten koste gaan van de biodiversiteit en leiden tot ernstige verstoring van ecosystemen.
„Het klimaatprobleem is geen milieuprobleem, maar vereist een fundamentele hervorming van onze maatschappij”, zei Johan Rockström, een van de bedenkers van de planetaire grenzen, in een interview in NRC. We moeten naar een wereld zonder fossiele brandstoffen, aldus Rockström, dat zal dus per definitie een heel andere economie zijn.
Veel economen gaan ervan uit dat het niet zo’n vaart loopt. Afstand nemen van het huidige model, gebaseerd op groei, vinden zij helemaal niet nodig. Wel pleiten ze vaak voor ‘groene groei’. Het kabinet-Schoof heeft met Sophie Hermans (VVD) voor het eerst een minister van Klimaat en Groene Groei, terwijl haar voorganger, Rob Jetten (D66), nog minister was voor Klimaat en Energie. Ook in de nieuwe Europese Commissie is de klimaatportefeuille gekoppeld aan ‘schone groei’, een nog algemenere term.
Critici van het huidige model wijzen erop dat oneindige groei op een eindige planeet een illusie is. Zij stellen ongemakkelijke vragen: moeten we af van de obsessie met het bruto binnenlands product (bbp; de totale waarde van de goederen en diensten die in een land worden geproduceerd), kan groei samengaan met het ‘redden van de planeet’, moeten rijke landen hun groei inleveren ten gunste van arme landen? Een van de bekendste pleitbezorgers van degrowth, oftewel ‘ontgroeien’, is antropoloog Jason Hickel. Het kan hem niet schelen hoe je het precies noemt, maar hij bepleit „een geplande reductie van energie- en grondstoffenverbruik, om de economie weer in balans te brengen met de levende wereld, op zo’n manier dat ongelijkheid wordt verkleind en menselijk welzijn stijgt”.
Dat vraagt om een veel sturender overheid, om hogere belastingen voor rijken en een ingrijpende industriepolitiek. Daar zit meteen het risico, zeggen de tegenstanders van ‘degrowth’. Want wie bepaalt bijvoorbeeld wat wel en niet geproduceerd mag worden. Veel economen laten dat liever aan de markt over. Ze wijzen erop dat het marktdenken prikkels geeft voor innovatie. In het verleden heeft dat bijvoorbeeld gezorgd voor een ongekende stijging van de landbouwproductiviteit. Diezelfde innovatie kan volgens de marktdenkers ook het energievraagstuk oplossen, alternatieven verzinnen voor vlees en manieren bedenken om ons te verplaatsen zonder daarvoor fossiele brandstoffen te gebruiken. Het belangrijkste, zeggen zij, is om mensen en bedrijven te confronteren met de maatschappelijke kosten van hun daden als ze iets vervuilends doen.
Mensbeeld
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/11/07104345/Systeem_individu.png)
De vervuiler confronteren met de gevolgen van zijn handelen (in de praktijk: te laten betalen voor de veroorzaakte schade) zou een rechtvaardige manier zijn om klimaatbeleid vorm te geven. Maar zo gemakkelijk gaat dat niet. Want de vervuiler, is dat het bedrijf dat schadelijke producten maakt, of de consument die de producten gebruikt? Moet het klimaatbeleid worden afgewenteld op het individu of op de maatschappij als geheel? Is het systeem verantwoordelijk, of begint een beter milieu bij jezelf?
Uit onderzoek van een paar jaar geleden in het wetenschappelijk tijdschrift van de American Meteorological Society blijkt dat mensen best bereid zijn om bij te dragen aan de kosten van klimaatbeleid, zolang niemand ze voorschrijft wat ze moeten doen. De onderzoekers lieten een klimaatwetenschapper uitleggen hoe groot de maatschappelijke gevolgen van klimaatverandering kunnen worden. Vervolgens kreeg de ene groep het dringende advies het eigen gedrag te veranderen (minder vlees, minder vliegen, minder consumeren), terwijl de andere groep te horen kreeg dat een koolstofbelasting voor bedrijven, strengere klimaatwetten en het voorkomen van ontbossing de oplossing waren. De eerste groep bleek ineens toch wat minder overtuigd van de ernst van klimaatverandering dan de tweede.
Sommige psychologen zijn daarom uiterst pessimistisch over de mogelijkheid van de mensheid om klimaatverandering echt te bestrijden. „Ook al zijn mensen zich nog zo bewust van het probleem”, zei Daniel Kahneman, de psycholoog die in 2002 de Nobelprijs voor economie ontving, „dat zal nooit de weerstand overwinnen om hun eigen levensstandaard te verlagen.” Robert Gifford, hoogleraar psychologie en milieustudies, schreef in 2015: „Inmiddels hebben de meeste redelijke mensen wel in de gaten dat ze in hun leven te veel koolstof hebben verbrand. En de meesten van die mensen verbranden nog steeds te veel koolstof.”
In het boek Don’t even think about it legt George Marshall, expert klimaatcommunicatie, uit waarom mensen geneigd zijn om een groot probleem als klimaatverandering te negeren. Een daarvan is dat de opwarming van de planeet te lang alleen als een milieuprobleem is beschreven, terwijl het in feite harde economie is. Niet de minister van Milieu moet over dit onderwerp gaan, zegt ook klimaatwetenschapper Johan Rockström, maar de minister van Financiën – of misschien wel het voltallige kabinet. Zo allesomvattend zijn de noodzakelijke veranderingen.
Het is dan ook de vraag of klimaatbeleid gaat tussen individu of systeem. Zeker, zonder grote systeemtransities (minder consumeren, nieuwe manieren om energie op te wekken, om je als burger te verplaatsen, en een ander voedselsysteem, et cetera) zal het waarschijnlijk niet lukken. Maar het individu zal zijn steentje moeten bijdragen aan die systeemtransities. Elektrisch rijden is een grote verbetering voor het klimaat. Over zijn gehele levenscyclus is een elektrische auto namelijk meer dan de helft zuiniger dan een benzineauto. Tegelijkertijd groeit in Nederland nog steeds het aantal auto’s. Het zijn er inmiddels ongeveer 9 miljoen. Stel dat dit Nederlandse wagenpark nu al volledig geëlektrificeerd was, dan zou Nederland net zo veel energie en grondstoffen verbruiken als zo’n 4 miljoen benzineauto’s. Ervan uitgaande dat de rest van de wereld evenveel recht heeft op een auto, is dat nog steeds veel meer dan de planeet aankan.