Terug naar de krant

De posters van Verkerke: altijd iets zondigs

achtergrond

Verkerke Reproductions Het Design Museum Den Bosch wijdt deze zomer een expositie aan een cultuurhistorisch fenomeen uit de jaren zestig, zeventig en tachtig: de posters van Verkerke Reprodukties. Het verhaal van oprichter Engel Verkerke (97).

Leeslijst

Op vleugels van kleur een ode aan het netvlies brengen. Een beeldenstorm ontketenen. De brand steken in de saaiheid van het leven.

Engel Phillippus Verkerke (1924) wist wat hij wilde toen hij in 1957 een onderneming in kunstreproducties opzette. Daarvoor werkte hij korte tijd als vertegenwoordiger bij een groothandel in schoolartikelen. Bij schoolhoofden had hij soms een monstermap op tafel zien liggen van een concurrent, een leverancier van wandversieringen. Als hij naar de map wees begonnen de onderwijzers al te gapen. De catalogus stond vol slaapverwekkende en bovendien schreeuwend dure prenten. Een reproductie van een braaf schilderij kostte al gauw 40 gulden. De prijs van een nieuwe fiets!

Voor spannende, betaalbare kunstreproducties moest toch markt zijn, veronderstelde Verkerke. Toen zijn baas niks zag in zijn plan, begon hij op een zolderkamer in Amsterdam zelf een uitgeverij. Als eerste prent koos hij voor een kunstwerk uit zijn eigen verzameling: een galopperend paard, een vlotte inkttekening van de Chinese kunstenaar Xu Beihong. Met een Zwitsers bureau maakte Verkerke afspraken over de beeldrechten. De verkoopprijs van zijn eerste product: 4,90 gulden.

Veel te goedkoop, klonk het om hem heen. Van die kritiek trok hij zich niks aan. Kunst minder elitair maken, dat kon alleen als hij mikte op een groot publiek. Vijfduizend paarden had hij laten drukken. Binnen een maand raakte hij ze kwijt, de bestellingen bleven maar binnenkomen. De beginnende ondernemer kon de drukker betalen en had zijn eerste tien mille verdiend. Elk verkocht paardje had hem netto 2,10 gulden opgeleverd.

Van zijn tweede prent, een Don Quichot-schets van Pablo Picasso waarvoor hij met een Frans bureau afspraken maakte over de publicatierechten, bestelde alleen al een Groningse kunsthandel honderd exemplaren. Honderd! Zijn prentenuitgeverij bleek een schot in de roos. De reproducties van schilderijen van oude meesters als Breughel en Rembrandt, van de grote impressionisten en van Picasso en Klee vlogen weg. Samen met zijn echtgenote stond Verkerke eindeloos in te pakken. Het echtpaar werkte vijftien uur per dag, zeven dagen in de week.

Zijn communistische achtergrond zorgde ervoor dat Verkerke jarenlang geen personeel wilde. Veel te kapitalistisch. Maar begin jaren zestig, een jaar of vier na het Chinese paardje, liep het werk hem zo over de schoenen dat hij wel een personeelslid moest aannemen, en het jaar daarop een tweede.

Easy Rider

Al die danseresjes van Degas, al die appeltjes van Cézanne, op den duur begonnen ze hem te vervelen. Naast kunstreproducties besloot Verkerke eind jaren zestig ook affiches uit te gaan geven, grote biljetten die ook ‘posters’ gingen heten, een woord dat eind jaren zestig in zwang raakte.

De film Bonnie & Clyde kwam in 1967 uit, met de prachtige hoofdrolspelers Faye Dunaway en Warren Beatty. Toen Verkerke filmmaatschappij Warner Bros belde met de vraag of hij een foto van een filmscène als poster mocht uitbrengen, kreeg hij tot zijn verrassing de publicatierechten cadeau. Daarna volgden zestig bij tachtig centimeter metende portretten van de ‘Easy Riders’ Dennis Hopper en Peter Fonda op hun choppers, van de charismatische Cubaanse guerillaleider Che Guevara, van Bob Dylan en Jimi Hendrix. Ook volgden, het waren immers de swinging sixties and seven ties, kleurrijke psychedelische afbeeldingen, blote bloemenmeisjes, mannelijke pin-ups en anti-oorlogsprenten (‘Make love, make music, no war!’), sommige zelfs op deurformaat.

Verbeelding aan de macht

De verbeelding aan de macht à 5 gulden per poster, het bleek een wereldhit. Verkerke Reprodukties verhuisde naar een groot bedrijfspand in Ede. In 1971 stonden 150 werknemers op de loonlijst. Het bedrijf had vier eigen winkels in Nederland, vestigingen in drie buitenlanden en klanten van Tokio tot Timboektoe.

Vanaf de Veluwe verstuurde het bedrijf miljoenen posters naar vele tientallen landen. Door de collectie van duizenden afbeeldingen kon Verkerke aan vrijwel elke vraag voldoen en op iedere actualiteit inspelen. Toen Elvis Presley in 1977 dood op de vloer van zijn badkamer werd gevonden maakten de medewerkers in Ede wekenlang overuren om honderdduizenden posters van de King te verzenden.

Absolutely Free (Schwiery, 1969)
Happy Birthday (Marianne Carlier, 1969)
Absolutely Free (Schwiery, 1969) en Happy Birthday (Marianne Carlier, 1969)

De posterkoning, werd zijn bijnaam. De eenmansuitgeverij van Engel Verkerke groeide in dertig jaar uit tot een multinational met 368 werknemers en een jaaromzet van 70 miljoen gulden. Zijn idee van kunst aan het volk leverde bakken met geld op. In tal van winkels doken postermolens en -bakken op waar klanten doorheen konden bladeren op zoek naar nieuwe wandversiering. En passant blies de posterhype het vak van lijstenmaker nieuw leven in.

Fenomeen

Het Design Museum Den Bosch wijdt in juni een expositie aan de Verkerke-poster: De Grote Versierder getiteld. De grondlegger van het cultuurhistorische fenomeen kijkt daar zelf niet reikhalzend naar uit, zegt hij. Het digitale tijdperk heeft zijn levenswerk ouderwets gemaakt; vergeleken met het beeldenbombardement van sociale media heeft een uitgeverij met jaarlijks een paar honderd nieuwe posters iets negentiende-eeuws.

Nostalgisch spreekt de gepensioneerde ondernemer over ‘het postergevoel’, het speelse en rebelse van de jaren zestig en zeventig. Die artistieke vrijheid-blijheid kwam voor zijn gevoel vanaf de jaren tachtig onder druk te staan. Vooral de afbeeldingen van popsterren begonnen steeds beter te verkopen. Een activiteit die hij zoveel mogelijk overliet aan zijn jongere collega’s. Popposters uitgeven was lucratieve maar niet heel inspirerende business, zegt Verkerke.

Engel Verkerke, 2013
Foto Chris Pennarts

Bij de Britse vestiging van Verkerke Reprodukties kwam begin jaren tachtig het idee op voor een poster van Duran Duran. Van wie?, vroeg Verkerke. Na een toelichting belde hij met het managementbureau van de Britse popband. Hij kreeg toestemming voor een poster van Duran Duran, mits hij ook posters van drie nog onbekende artiesten zou uitbrengen. De namen van die drie beginnende popsterren: Whitney Houston, Madonna en George Michael.

Madonna was wat blij met hem, zegt Verkerke. Ze vroeg: komt u de foto’s maken of zal ik dat zelf regelen? Jaarlijks kreeg hij van haar zes nieuwe foto’s. Alsof hij geld stond te drukken in plaats van posters. Jarenlang maakte hij per kwartaal zo’n 300.000 gulden aan rechten aan haar over.

Madonna was blij met hem. Ze vroeg: komt u de foto’s maken of zal ik dat zelf regelen?

De maatschappelijk geëngageerde posters die hij zelf bedacht deden het inmiddels een stuk minder.

Toen hij zijn uitgeverslust steeds minder kon botvieren besloot Verkerke zijn zaak te verkopen. Dat deed hij in 1987, op zijn 63ste. De Italiaanse mediagrootmacht Mondadori, van grootaandeelhouder Silvio Berlusconi, was de koper.

Op verzoek bleef Verkerke nog drie jaar aan als directeur. Zijn salaris steeg met 300 procent, maar zijn invloed nam zienderogen af. Als uitgever was hij gewend te doen wat hij leuk vond. Soms schoot hij raak, soms half raak en soms mis. Met zo’n avontuurlijke houding hoefde hij bij de nieuwe eigenaren niet aan te komen. Voor de Italianen, merkte hij, telde maar één ding: keihard geld verdienen. Met een aanzienlijk commerciëler beleid – veel zonsondergangen en andere gelikte beelden – stuwden zij de omzet op naar 90 miljoen gulden. Na vijf jaar verkocht Mondadori het bedrijf door aan Hallmark, de Amerikaanse wenskaartenmagnaat. Inmiddels is de posterwinkel net als de videotheek uit het straatbeeld verdwenen. Alleen in Barcelona, weet Verkerke, is nog altijd een uit 1985 daterende posterwinkel met zijn naam op de gevel.

Metaalbewerker

Engel Verkerke komt uit een arm en streng gereformeerd gezin. Zijn vader ploeterde als metaalbewerker bij Wilton-Feijenoord in Rotterdam, zijn moeder kwam uit een eenvoudige boerenfamilie. De enige wanddecoratie in zijn ouderlijk huis bestond uit een zomer- en een winterlandschapje, huwelijkscadeaus die zijn ouders tot hun dood lieten hangen. Een leven lang tegen hetzelfde beeld aankijken, Verkerke huivert als hij het vertelt. Kunst moet met je meegaan, je helpen, zegt hij. Met zijn concept van betaalbare reproducties heeft hij dat voor vele huishoudens mogelijk gemaakt.

Zijn ouders begrepen niet waar hij mee bezig was. Toen hij als man in bonis een van zijn bedrijfsgebouwen aan hen liet zien, verbaasde zijn moeder zich over de grote naam op de gevel. Dat Verkerke-bord, vroeg ze haar zoon, heb je er zeker even opgezet om indruk op ons te maken?

De eerste ‘homo-poster’ (Jean-Paul Vroom, 1969)
Le Guerrier (Luc Genot, 1980)
De eerste ‘homo-poster’ (Jean-Paul Vroom, 1969) en Le Guerrier (Luc Genot, 1980)

De oorlog drukte een stempel op zijn leven. Toen de nazi’s Nederland binnenvielen was hij vijftien. Hij behoorde tot de jongsten van een vriendengroep die boeken over het socialisme besprak. Hij begreep de helft niet van wat er werd gezegd. Gezamenlijk besloten de vrienden een blaadje uit te geven, De Vonk, vernoemd naar een ondergronds tijdschrift van Lenin met dezelfde naam. Na een half jaar ging het blad De Waarheid heten.

De verboden activiteit kostte een deel van zijn vriendengroep het leven. Ze werden opgepakt en daarna gefusilleerd of naar een concentratiekamp gezonden. Zelf dook hij de twee laatste oorlogsjaren onder.

Toen De Waarheid na de oorlog een legaal dagblad werd ging hij daar als redacteur aan de slag. Een overtuigd communist voelde hij zich allerminst. Maar tegenover zijn gesneuvelde kameraden kon hij het niet maken, vond hij, om de krant te verlaten.

In 1954 viel hij van zijn geloof tijdens een bezoek aan de Leipziger Buchmesse, in het toenmalige Oost-Duitsland. Bij een bewonderde Duitse socialistische uitgever ontmoette Verkerke schreeuwende moffen, enge mannen. De socialistische heilstaat waar hij als jongeling zo enthousiast over was, trof hem als een benauwende dictatuur.

Pionier

Hij heeft geboft, beseft hij. Als de pionier die de prentenmarkt openbrak, had hij een enorme voorsprong. Jarenlang heeft hij met ongelooflijk veel plezier gewerkt. Uitgeven is een kwestie van zien, zegt hij. En hij had goede ogen. Bovendien had hij een club meisjes en jongens, mannen en vrouwen om zich heen verzameld die hem ideeën aan de hand deden. Tot die souffleurs behoorden de dichters Simon Vinkenoog en Johnny de Selfkicker en beeldend kunstenaar en schrijver Jan Cremer. Op vleugels van kleur een ode aan het netvlies brengen, het was een slogan die Vinkenoog in 1971 verzon voor een catalogus van Verkerke Reprodukties.

Van de jaren zestig en zeventig herinnert Verkerke zich de ongebondenheid en de wellust waarmee hij uitgaf. Hij spreekt van een beeldorgie. Als veertiger reed hij rond in een Volkswagen Kever, op zoek naar geschikte afbeeldingen. Een poster van een non met een grote Che Guevara tussen haar borsten getatoeëerd? Een gevloerde vrouw omringd door schoonmaakspullen met achter haar een wijdbeense, gestropdaste man onder het motto ‘Stop woman slavery’? Ja graag, die poster wilde Verkerke wel.

Als veertiger reed hij rond in een Volkswagen Kever, op zoek naar geschikte afbeeldingen

Jean-Paul Vroom, een kunstenaar en fotograaf die regelmatig voor hem werkte, maakte op zijn verzoek de eerste homo-poster. Homoseksuele vrienden hadden de ondernemer verteld veel in het verborgene te doen. Verkerke was benieuwd of, als hij een poster voor ze zou maken, ze daar ook zo heimelijk mee zouden omspringen. Vroom maakte een foto van een half blote balletdanser met de gulp van zijn spijkerbroek wijd open. Toen die als poster uitkwam en een homoseksuele vriend er op zijn verjaardag niet één maar vijf cadeau kreeg, wist Verkerke dat zijn intuïtie klopte. Vijftig jaar later staat het verkoopresultaat van de half blote balletdanser hem nog goed bij: zes à zeven drukken van vijfduizend stuks.

Of hij een oude hippie was? Nee, daar was hij te verlegen voor. Hij neigde hooguit naar de hippiecultuur. Zijn verlegenheid zat hem ook in de weg. Als bij een fotosessie een jonge vrouw naakt poseerde, bijvoorbeeld voor een poster met gebodypaint ‘Verkerke posters’ op haar rug en billen, had hij moeite om het model een hand te geven. Liever wendde hij zich dan af.

Smaak en intuïtie

Zijn smaak en zijn intuïtie waren zijn kompas. In een tijdschrift viel zijn oog op een foto van de Amerikaanse fotograaf Don Ornitz. Een poedelnaakte jonge vrouw met lang blond haar dansend met een paard door een zonovergoten korenveld. Hij deed veel moeite om van die foto de rechten te verkrijgen. Zo’n mooi staaltje van ongebreidelde levenslust mocht hij niet laten schieten, vond hij.

Girl with Horse (Don Ornitz, 1971).

Of neem de losjes geschilderde clown in donkere kleuren die hij in de jaren zestig zag. De maker bleek een leerling van de bekende Franse schilder Bernard Buffet, ene Rosy Fernandez-Diaz. Hij achterhaalde haar adres en reed in zijn Kever naar Parijs. Contract getekend, ruim een miljoen reproducties verkocht.

Zijn poster maakte van Fernandez-Diaz een bekend kunstenaar. Het klinkt misschien opschepperig, zegt Verkerke, maar zo ging het wel vaker. Musea moesten indertijd niets van jugendstil hebben; zijn reproducties van affiches van rond 1900 populariseerden de kunststroming. En wie had gehoord van de Tsjechische art-nouveaukunstenaar Alphonse Mucha voordat Verkerke Reprodukties van zijn weelderige affiches een kassucces maakte?

Clown with Daisy (Rosy Fernandez- Diaz, 1965)

Als ‘intellectueel van onderop’ las hij ter inspiratie damesbladen en huis-aan-huiskranten. Een foto van een wc-rol als verjaardagskalender, apen verkleed als artsen, pikant bloot? Naar eigen zeggen deinsde hij nergens voor terug en verkocht de duvel en zijn ouwe moer. Toen in de jaren tachtig de lambada snel aan populariteit won, vroeg hij op een maandagmorgen aan zijn secretaresse of zij die sensuele Braziliaanse dans al had geprobeerd. Na haar antwoord – „Jakkie, nee, zo vies” – wist Verkerke genoeg: ook de lambada had posterkwaliteit.

Een goede poster, weet hij, heeft iets zondigs, iets niet-geraffineerds. Zijn kinderlijke ongeremdheid, zegt hij, maakte hem tot zo’n geschikte posteruitgever.

In de jaren zeventig en tachtig gaf hij verschillende posters uit van naakte twaalf- tot veertienjarige meisjes in soft-focus, opnamen van de Britse fotograaf David Hamilton. Nu kwalificeert hij die grofkorrelige foto’s van blote pubermeisjes als semi-porno, maar destijds werd Hamilton, ondanks de naakte jonge meisjes, geprezen om zijn artistieke zienswijze. Moeders kwamen hun dochters bij Hamilton als model aanbieden, zegt Verkerke. Gebeurde hem zelf ook wel. Ondanks dat hij een verlegen Zeeuwse boer is – zijn eigen woorden – ging hij wel eens op zo’n aanbieding in, en verwees hij zo’n model door naar een fotograaf.

Poster Girl (Jean-Paul Vroom, 1969)

Wat hij nu ook niet meer zou doen, is wat hij op 26 september 1989 deed: vol bravoure op de radio, in een vraaggesprek met journalist Ischa Meijer, vertellen wat hij jaren daarvoor op de Frankfurter Buchmesse had misdaan. Het is een gesprek waaraan Verkerke nog met enige regelmaat wordt herinnerd; tik bij Google zijn naam in en de opname op de VPRO-site komt naar boven.

In het interview vertelt Verkerke hoe hij in de beursstand van een Japanse uitgever een Duitse tolk ontmoette met een verrassend mooie boezem. Een jongensdroom, aldus de posterkoning. Buiten zichzelf tredend greep hij de vrouw vol bij haar borsten. Het was negen uur in de ochtend.

De tolk deed alsof er niets was gebeurd en begon een goed gesprek, legde Verkerke aan Meijer uit. Zelf zei hij tegen haar: ‘Das tue ich fast niemals und auch nicht wieder’. De jaren daarna kwam hij de tolk op de beurs altijd weer tegen. Beleefd schudde hij haar dan de hand.

Interviewer Meijer gierde het uit om zijn gast, en ook het studiopubliek waardeerde de met de timing van een conferencier vertelde anekdote. Met enige gêne kijkt Verkerke terug op de uitzending. De avond voor de opname zat hij bij een diner waarbij alle gasten een onverkwikkelijke anekdote moesten vertellen. Meijer, die ook aanzat, had hem na zijn verhaal direct uitgenodigd voor zijn radioprogramma. Zou nu niet meer gebeuren, vermoedt Verkerke. En dat is maar goed ook, vindt hij.

Verkerke vertelt zijn levensverhaal op aanstekelijke toon in zijn appartement in Amsterdam. Om hem heen veel boeken, negentiende-eeuwse schilderkunst en houten schaalmodellen van Friese platbodems. Tot voor kort was hij een verwoed zeiler. Zijn hoge leeftijd zie je niet aan hem af. Dat hij even wat moeilijk loopt ligt aan een recente knieoperatie.

Zijn behandelend specialist in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis heeft grote belangstelling voor zijn verslagen van de geleidelijk degeneratie: ‘Meneer Verkerke, vertel nog eens.’ Volgens de arts, zegt hij, behoort hij tot de weinigen die helder en met kennis van zaken over hogere ouderdom kunnen spreken.

Veel van zijn leeftijdgenoten zijn niet meer zo scherp en komen hun kamer in het verzorgingstehuis nauwelijks meer uit, constateert Verkerke. Dat lot is hem tot nu toe bespaard gebleven. Hij prijst zich gelukkig met zijn familie, pendelt tussen zijn huizen in Amsterdam en Montfoort, leest veel en spreekt regelmatig af met vrienden. Onze Lieve Heer heeft gruwelijk huisgehouden onder zijn kameraden. Decennialang organiseerde hij in zijn grachtenpand in de hoofdstad herendiners. Schrijver Jean-Paul Franssens, journalist Joop van Tijn, culinair geweten Johannes van Dam, cartoonist Peter van Straaten, uitgever Andreas Landshoff, ze zijn hem allen ontvallen. Van de twaalf vaste deelnemers is uitgever Jaco Groot de enige met wie hij nog regelmatig kan afspreken. Ze houden elkaar stevig vast, zegt hij.

Die kaalslag onder zijn makkers geeft wel een zekere weemoedigheid aan zijn oude dag. Het is het lot van de bijna honderdjarige. Hij heeft er vrede mee hoe zijn leven nu ten einde spoedt. De tijd dat het zijn ambitie was om de saaie wereld met opstandige en losbandige reproducties in brand te steken ligt achter hem. Engel Philippus Verkerke maakt zich niet zo druk meer. Hij zegt het met een schalks lachje.

De Grote Versierder Van 11 juni t/m 2 oktober, Design Museum Den Bosch. Designmuseum.nl
Een versie van dit artikel verscheen ook in de krant van 4 juni 2022.

Mail de redactie

Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?

U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.

Maximaal 120 woorden a.u.b.
Vul je naam in