Tijgerwolf. Hyenatijger. Vampiertijger. coorinna. kanunnah. Wolfskophond. Tasmaanse zebra. Buidelzebra. Bulldogtijger. Buidelrathyena. loarinna. laoonana. lagunta. Hondskopmarter. Panter. Streepje. cab-berrone-nen-er. roun. (Uit: Een vlam Tasmaanse tijgers, bladzijde 15)
Thylacine. Buidelwolf. Hondsgekopte buidelhond. Thylacinus cynocephalus. In het nieuwste boek van Charlotte Van den Broeck passeren steeds weer nieuwe namen de revue en allemaal zijn ze terug te voeren op één hoofdpersoon: de Tasmaanse tijger. Een uitgestorven roofbuideldier – voor zover bekend overleed het laatste individu van de soort in 1936, in Hobart Zoo in Tasmanië – dat qua uiterlijk iets weghad van een hond met zebrastrepen. Al is ‘hoofdpersoon’ op zichzelf ook een vertekening van de werkelijkheid, want Een vlam Tasmaanse tijgers gaat minstens zozeer over de mens als over de uitgestorven diersoort. „Het verhaal van een ander vertellen is altijd ingewikkeld”, zegt Van den Broeck in haar werkkamer, in het Antwerpse Berchem. „Je kunt het immers zó vervormen met je eigen woorden, je eigen mening. En dus wilde ik de Tasmaanse tijger zo dicht mogelijk benaderen via mensen die op de een of andere manier met hem verbonden zijn.”
Wat ís het verhaal van de Tasmaanse tijger? Dat hangt er maar net van af aan wie je het vraagt. Aan de museumconservator die zal vertellen over het uitsterven van de soort, aan de tiger hunter die nog altijd speurt naar sporen, aan de wetenschapper die juist vooruitblikt naar de toekomst en met dna voor een wederopstanding hoopt te zorgen.
Van den Broeck sprak ze allemaal. Want al begon haar zoektocht hier praktisch om de hoek in de Antwerpse Zoo (waar tot 1914 een Tasmaanse tijger huisde), later reisde ze naar Oxford, Melbourne en lutruwita – de naam voor Tasmanië in het palawa kani, een door mensen van Aboriginal-afkomst gereconstrueerde taal.
Het resultaat is een fraai geschreven boek, waarin ze de verhalen verweeft tot één bont tapijt waarin verschillende waarheden naast elkaar bestaan: empirische waarheid, speculatieve waarheid, anekdotisch bewijs. Niet toevallig begint haar boek met een herinnering aan haar excentrieke, inmiddels overleden grootmoeder, die bij gebrek aan een Perzisch tapijt een mozaïek van vloerbedekking in elkaar knutselde (en die het zelf niet altijd even nauw nam met de werkelijkheid).
Misschien, denk ik terwijl ik een ingewikkeld verlies probeer te plaatsen, laat een verhaal zich slechts vertellen in een weefsel van verhalen en misschien draait het erom iets van dat weefsel zichtbaar te proberen maken, om ergens in de veelvuldigheid en tegenstrijdigheden die ermee gepaard gaan te luisteren. (Uit: Een vlam Tasmaanse tijgers, bladzijde 12).
„Verhalen en de wetenschap zijn de afgelopen jaren steeds meer op gespannen voet geraakt”, vertelt Van den Broeck terwijl ze een kartonnen Tasmaanse tijger in haar hand houdt – een zelf in elkaar gezet 3D-puzzeltje, een souvenir van haar reis. „Ik houd van beide, maar in tijden van fake news en complottheorieën is het soms lastig om nog open, onbevangen te luisteren. Dat heb ik tijdens mijn reis bewust wél proberen te doen. Natuurlijk verdween daardoor niet direct mijn eigen oordeel. Maar de ruimte geven aan de meerstemmigheid was voor mij essentieel.”
Zo is er Andrew Pask, die aan de Universiteit van Melbourne het Thylacine Integrated Genomic Restoration Research Lab leidt en de Tasmaanse tijger weer tot leven wil wekken. En Neil Waters, de charismatische bosbrandwachter die in 2009 zijn 17-jarige dochter verloor aan een auto-ongeluk en sinds 2010 al zeker vijf persoonlijke waarnemingen van de Tasmaanse tijger heeft gemeld. Net als andere tiger hunters (veelal mannen) is Waters ervan overtuigd dat de soort nog leeft – al is hij de eerste om toe te geven dat zijn zoektocht nauw vervlochten is met gevoelens van gemis. Of zoals hij in het boek concludeert: ‘Wie zal het zeggen, misschien zit ik de tijger achterna om de rouwaap van mijn rug te schudden.’
„Tegelijkertijd komt zijn gedrevenheid óók voort uit het besef dat zoogdieren nergens in zo’n hoog tempo uitsterven als in Zuid-Australië, aldus Van den Broeck. „Hij ziet dat echt als een intergenerationeel conflict, waarbij de lakse houding van zijn voorouders verantwoordelijk is voor het hedendaagse gemis. Het is alsof hij zich persoonlijk verantwoordelijk voelt dat leed ongedaan te maken door een uitgestorven gewaande soort te herontdekken.”
Je verhouden tot uitstervende soorten is ingewikkeld, voegt ze toe. „Ik begon zelf in eerste instantie te schrijven vanuit een gevoel van verlamming. We horen zóveel over biodiversiteitsverlies dat het een soort abstracte doemwolk dreigt te worden. Niet voor niets omschrijft de Indiase schrijver Amitav Ghosh de huidige ecologische crisis als een crisis van de verbeelding. Uitsterven lijkt een ver-van-ons-bed-show, maar het is niet alleen iets van het verleden of de toekomst. Het is nú aan de gang. Dat vond ik ook een van de fascinerende dingen aan de Tasmaanse tijger: waarom voelen mensen – ikzelf ook – zoveel bij een soort die er niet meer is? Ik sprak in Tasmanië met biologen die alle aandacht voor het dier beu zijn en liever lobbyen voor nog bestaande soorten, zoals de ernstig bedreigde red handfish: de zeldzaamste vis ter wereld, met grote, knalrode ‘handen’ als vinnen. En zo zijn er allerlei soorten die aandacht behoeven. Biodiversiteit is één groot tapijt van allerlei nauw met elkaar verweven soorten. Trek je één draadje los dan vallen er algauw overal gaten.”
Wombatplacemats. Wombatonderzetters. Porseleinen wombats. Een geïllustreerde poster van een groep wombats, waarvoor de verzamelnaam, zo lees ik onder de afbeelding, ‘a wisdom of wombats’ is. Een roedel wolven, een kudde schapen, een vlucht spreeuwen. Hoe zou je een meervoud Tasmaanse tijgers aanduiden? (Uit: Een vlam Tasmaanse tijgers, bladzijde 169)
Op de eerste pagina van het boek staat een motto van de Franse filosoof Baptiste Morizot. Die bracht in 2022 een essaybundel uit met de titel Het levende laten opvlammen. „We zien vuur tegenwoordig vaak als negatief, zeker met al die klimaatgerelateerde bosbranden. Maar het zorgt ook voor de hoognodige regeneratie, voor opflakkering van hoop. Een vlam brengt emotie teweeg en naar mijn mening is dat essentieel in het wetenschappelijke discours. Ik zou graag zien dat emoties ook als een vorm van kennis erkend worden, juist omdat ze aanjagend kunnen werken. Ze helpen ons om te beschouwen, te luisteren, nieuwsgierig te zijn. Wetenschappers schrijven hooguit ‘ik vind dit, niet: ik voel dit’. Want gevoelens zijn tegenstrijdig, niet-binair, en dus moeilijk te meten.”
Hokjesdenken frustreert haar. „Al die imperialistische taxonomieën, die genderongelijkheid, die hiërarchische benadering van soorten… De mens plaatst zichzelf al eeuwenlang boven andere soorten en vormt daarin een constant verwoestende factor. Dat zie je ook in Tasmanië, waar het koloniale bedrijf Van Diemen’s Land Company vanaf 1830 premies uitreikte voor het doden van Tasmaanse tijgers. Er stierven teveel schapen door mismanagement en het was voor het bedrijf gunstig om de mythe te creëren dat de thylacine de boosdoener was.”
Natuurhistorische instellingen worden beschouwd als oorden van kennis en feiten, van wetenschap en biologische waarheden, maar evengoed produceren ze verhalen die waarheden construeren en feiten fictionaliseren. Welke geschiedenissen verdwijnen in de geënsceneerde diorama’s? Welke verhalen liggen onverteld achter de valse ogen van de opgezette dieren? (Uit: Een vlam Tasmaanse tijgers, bladzijde 39)
Wetenschap is niet onfeilbaar, benadrukt Van den Broeck. „Denk alleen al aan plagiaat. Of aan diorama’s in natuurhistorische musea waarin 70 procent van de tentoongestelde dieren mannelijk is. Dat lijkt misschien onschuldig, maar mannelijke en vrouwelijke dieren verschillen vaak zodanig van elkaar dat er door die diorama’s een vertekend beeld van de natuur ontstaat. Natuurhistorische musea – net als musea met kolonialistische kunst – zouden soms best wat extra toelichting mogen geven op de wijze waarop ze de geschiedenis hebben geordend.”
Een belangrijk thema in haar boek vormen machtsverhoudingen. „Binnen de wetenschap is er naar mijn idee soms sprake van een sterke hiërarchie. In publicaties zetten onderzoekers zich vaak af tegen andermans ideeën omdat ze graag hun eigen unieke punt willen maken. Dat heeft iets verwoestends – het kan veel waardevoller zijn om dóór te denken in plaats van tegen te denken.”
Ook in de taal van haar boek komen die verhoudingen naar voren. Neil Waters wordt bij zijn voornaam genoemd, terwijl Andrew Pask steevast professor Pask wordt genoemd. „Dat heb ik niet gedaan om een tweedeling te creëren. Maar ze straalden een groot verschil in benaderbaarheid uit.”
Zevenenzeventig kostbare seconden bewegend beeld. The Last Captive Thylacine toont de laatste Tasmaanse tijger in zijn kooi in Beaumaris Zoo in Hobart. De Australische bioloog David Fleay maakt de opname in december 1933. Hij is net afgestudeerd en wil zich inzetten voor het behoud van bedreigde diersoorten – een bewustzijn dat rond die tijd stilaan ingang begint te vinden in de wetenschap. (Uit: Een vlam Tasmaanse tijgers, bladzijde 17)
Daags na het gesprek in Antwerpen betreedt Van den Broeck samen met haar partner, muzikant en audiokunstenaar Roel D’Hont, het podium van theater 30CC/Wagehuys in Leuven. Samen hebben ze over de Tasmaanse tijger ook een wervelende voorstelling gemaakt – met natuurgeluiden uit Tasmanië, bewegend beeld van de thylacine, de stem van Neil Waters. Ze filosoferen over uitsterving, over de door Pask zo gewenste terugkeer van de soort en over de vraag of menselijke inmenging wel zo gewenst is. Die morele kant lijkt de dna-minnende wetenschappers in het boek in ieder geval weinig te deren. Of zoals een collega van Pask het op de laatste bladzijde verwoordt: „Als de Tasmaanse tijger straks van de lopende band rolt, zal er een rij mensen staan te wachten, maar ik wil de eerste zijn die hem aait.”
/s3/static.nrc.nl/bvhw/files/2019/11/web-2211culcharlottevandenbroeckjpg.jpg)