Een dag nadat voor het eerst sinds 1962 een Franse regering door het parlement naar huis werd gestuurd, verzekerde president Emmanuel Macron zijn landgenoten er donderdagavond van dat hem zelf geen enkele blaam trof. De regering van de centrum-rechtse premier Michel Barnier, sinds zijn Brexit-deal voor de Europese Unie gevierd als geslepen onderhandelaar, was volgens Macron het slachtoffer van „extreem-rechts en extreem-links” dat zich „tegen de republiek” had gekeerd. Populisten, zei Macron, hadden met het oog op de presidentsverkiezingen van 2027 belang bij „wanorde” en „chaos”. Dat het land ook nog geregeerd moet worden, en dat daar in 2025 een begroting voor nodig is die enigszins aan de Europese afspraken tegemoet komt, zagen ze over het hoofd. Ondanks vele concessies aan vooral de radicaal-rechtse Rassemblement National van Marine Le Pen, kreeg Barnier zijn plannen onmogelijk door het parlement.
Dat Frankrijk nu in politiek noodweer is beland, is toch in de eerste plaats Macron aan te rekenen. De president die in 2017 de gevestigde partijen links en rechts van het midden te slim af was en met een ambitieuze hervormingsagenda in heel Europa harten veroverde, heeft een aantal strategische fouten gemaakt die nu gevolgen lijken te hebben die tot ver over de Franse landsgrenzen reiken.
Het getuigde van overmoed dat hij in juni, na de door zijn partij verloren Europese verkiezingen, met nieuwe parlementsverkiezingen dacht een steviger mandaat te kunnen regelen. Hij zei ironisch genoeg destijds te vrezen dat de begroting van toenmalig premier Attal het in het najaar niet zou halen. Maar in plaats van méér politieke duidelijkheid, kreeg hij er juist minder: de minderheidsregering stoelde de facto op gedoogsteun van de RN die, inderdaad, vooral belang heeft bij chaos. Attals pleidooi om bij Noord-Europese landen te rade te gaan om tot een „compromiscultuur” te komen, faalde jammerlijk. In de Assemblée Nationale is het devies helaas nog steeds: alles of niets.
Het resultaat is dat, juist nu, het bestuur hapert van de twee belangrijkste lidstaten van de EU. Want begin november struikelde ook al de Duitse coalitie van de sociaal-democratische SPD, de liberale FDP en de Groenen. Dat ging eveneens over de begroting. Terwijl Frankrijk sinds 1973 geen sluitende begroting heeft gepresenteerd, heeft Duitsland in de grondwet verankerd dat het geen begrotingstekorten mag hebben, enkel onder uitzonderlijke omstandigheden. FDP-voorman Christian Lindner wilde als minister van Financiën daarom de noodzaak voor meer steun aan Oekraïne enkel faciliteren als daar bezuinigen op onder meer pensioenen tegenover zou staan.
Dat de begrotingen politiek opspelen is geen toeval. Tijdens de pandemie werden overal, en terecht, de teugels losgelaten om de economie te behoeden voor een vrije val. Pas dit jaar zijn de Europese regels die de staatshuishouding van de lidstaten binnen de perken moeten houden weer echt van kracht. En hoewel de Europese Commissie de saneringsplannen van veel lidstaten voor de middellange termijn onlangs goedkeurde, falen de meeste intussen bij de begrotingen die ze in het hier en nu voeren. Onder meer Italië, Frankrijk en België zijn beland in de zogenoemde ‘excessieve tekortprocedure’ die noodzaakt dat zij hun begrotingstekort snel repareren.
Dat wringt: vergrijzing en klimaatverandering vergen al het nodige van de nationale budgetten. De noodzakelijke revitalisering van de Europese economie, zoals dit najaar bepleit in het inmiddels leidende rapport van oud-ECB-topman Mario Draghi, komt daar bovenop. En dan is er, zeer acuut, de steun aan Oekraïne en het opschroeven van de defensie-uitgaven om Europa weerbaar te maken tegen de dreiging uit Rusland. Binnen de begrotingsrestricties die aan Frankrijk door Brussel worden opgelegd, en door Duitsland aan zichzelf, vergt dat harde politieke en maatschappelijke keuzes. En die spelen nu op.
Die harde keuzes verhouden zich slecht met een politieke cultuur van het eigen gelijk. Die is met de opmars van systeem-ondermijnende partijen op de uiterste flanken de laatste jaren almaar sterker geworden, en zeker niet alleen in Frankrijk. Toch is dat land, met zijn op absolute meerderheden gestoelde politieke stelsel in EU-verband nu wel het meest kwetsbaar. Het is daarom zaak dat wat resteert van het politieke centrum zich weet te verenigen om een voor Frankrijk, en daarmee voor de eurozone, verantwoordelijke begroting te presenteren. Macron verwees donderdag naar de Notre-Dame: door goede samenwerking en een heldere koers, is de kathedraal na de verwoestende brand in vijf jaar herbouwd. Dat dat ook nog eens binnen het afgesproken budget gebeurde kan een leerzaam voorbeeld zijn.