Dat was even slikken: de Nederlandse inflatie blijkt in november te zijn gestegen naar 4 procent – of volgens de Europese definitie 3,8 procent. In plaats van dichter bij de gewenste 2 procent inflatie te komen na de enorme prijsschok van twee jaar geleden, lijkt dat doel nu weer richting de horizon te bewegen. Slecht nieuws voor consumenten, die meer kwijt zijn aan hun dagelijkse levensbehoeften. Ook geen goed nieuws voor het kabinet, want het is inmiddels – zie ook de Amerikaanse verkiezingen – genoegzaam bekend dat kiezers buitengewoon gevoelig zijn voor stijgende prijzen.
De voorbije prijsschok was het gevolg van het plotseling openen van de economie na de coronacrisis, op de voet gevolgd door de energieschok na de Russische inval in Oekraïne. Daar hadden alle Europese landen last van, maar inmiddels daalt de inflatie in Europa, met horten en stoten, weer naar 2 procent.
Zo niet in Nederland. En als de Nederlandse lonen extra stijgen om de relatief hoge inflatie te compenseren, betekent dat een verlies van concurrentiekracht ten opzichte van de omringende landen.
Je zou zeggen: we hebben toch een centrale bank om met haar rentebeleid de inflatie te bevechten en te zorgen voor prijsstabiliteit? Maar sinds Nederland de euro heeft ingevoerd, is er nog maar één centrale bank, de Europese Centrale Bank, voor alle eurolanden samen – en is er dus ook één rentepolitiek. Die kan geen rekening houden met afwijkingen in individuele landen. Hier zie je de belangrijkste, gemeenschappelijke rente: de depositorente. En je ziet hoe de Nederlandse inflatie wegloopt van het Europese gemiddelde.
In een gebied met een gemeenschappelijke munt lopen de economieën van de afzonderlijke landen nooit precies met elkaar in de pas. Dat is nu ook niet het geval. Sommige landen groeien niet zo hard als ze zouden kunnen: ze bouwen over de jaren heen een verschil op tussen wat de economie presteert en wat theoretisch mogelijk is. Dat noem je een negatieve output gap. Andere gaan juist wat te hard, en bouwen een positieve output gap op. Ligt het saldo zo’n beetje rond de nul, dan maakt het niet zoveel uit. Maar wordt het gat te groot, dan kan de eerste groep te maken krijgen met overcapaciteit, een gebrek aan prijsdruk en dus een risico op zeer lage inflatie. De laatste groep, met een positieve output gap, riskeert juist krapte en extra hard stijgende prijzen.
Die output gaps verschillen sterk in de landen die de euro voeren. Dat geldt eveneens voor de verwachte inflatie zelf. Kijk maar mee met wat de OESO, de club van industrielanden die bekendstaat om zijn internationaal vergelijkende statistieken, voor 2025 verwacht.
Zowel de output gap als de verwachte inflatie spelen een rol in de Taylor Rule, in 1993 bedacht door de Amerikaanse econoom John Taylor. Het gaat hier om een vuistregel die wordt gebruikt om te schatten hoe hoog de rente van de centrale bank zou moeten zijn.
Van die Taylor Rule zijn inmiddels veel versies in omloop, elk met eigen nuances en wegingen. Maar allemaal vergelijken ze de hoogte van de inflatie in een land met het streefdoel dat de centrale bank aan de inflatie stelt. En ze zetten de vaart van de economie af tegen wat de economie normaal aan groei aankan – de output gap dus. Voor deze rubriek is de definitie van de Taylor Rule genomen die circuleert bij de Bank voor Internationale Betalingen, de ‘bank van de centrale banken’.
Zo kan je, met het nodige voorbehoud, voor elk euroland uitrekenen wat de ideale rentestand van de Europese Centrale Bank zou moeten zijn. De uitkomst zie je hier:
Zoals je ziet, is het gewogen gemiddelde van alle eurolanden een rente van 2,9 procent – vlak bij wat de Europese Centrale Bank nu hanteert. Maar zoals te verwachten valt, zouden sommige landen gebaat zijn met een veel lagere rente. Neem Finland en Frankrijk, die beter een rente kunnen hebben van rond de procentpunt lager dan hij nu is. Aan de andere kant zijn er landen waar de groei zo hoog is of de inflatie zo hardnekkig dat de rente hoger zou moeten zijn dan hij nu is.
Dat geldt ook voor Nederland. In wezen stimuleren de laatste twee renteverlagingen van de ECB de Nederlandse economie terwijl de inflatie nog veel te hoog is. Nogmaals: dit is het gevolg van één rente voor inmiddels twintig onderling afwijkende eurolanden. Als die rente niet passend is, zullen zij zelf maatregelen moeten nemen om de economie en prijsdruk af te remmen. Standaardrecept: dat moet met de begrotingspolitiek.
Minister Heinen van Financiën zou dus eigenlijk extra op de rem moeten gaan staan nu de ECB weer een beetje gas geeft. En dat is, gezien de harde strijd rond de begroting, op dit moment politiek vrijwel onmogelijk. Het zou allemaal zomaar kunnen leiden tot een inflatie die nog te lang hoog blijft.