Rechter: „Ik ben de economische politierechter en u zit hier vandaag bij mij in de rechtbank als verdachte. Ik zie dat u nog niet eerder bij de rechter bent geweest. U mag vragen stellen als u iets niet begrijpt.”
Meneer A. is een gedrongen dertiger in een krap zittend donkerblauw pak met bruine mocassins zonder sokken. Zichtbaar zenuwachtig zit hij op het puntje van zijn stoel, handen gevouwen op tafel, een bruine aktetas op de grond.
Rechter: „Vorig jaar op 30 juli heeft u in een Mercedes als taxichauffeur rondgereden, zonder dat u hiervoor een vergunning had. Wat heeft u hierop te zeggen?”
Meneer A: „Dat klopt wel ja. Kijk, ik kom uit de chauffeurswereld, niet uit de taxiwereld. Ik was zoekende in die tijd en begon een vervoersservice voor artiesten en vips. Ik zag mezelf niet als taxichauffeur, maar als een chauffeur die z’n diensten aanbood. Ik dacht, ik kijk wel waar het schip strandt.”
Overheid
Rechter: „Begrijpt u wel dat u dan wordt gezien als taxivervoerder? Heeft u zich wel in de regels verdiept?”
Meneer A: „Daarna heb ik dat wel gedaan.” Hij lacht even kort om zichzelf. „Ik doe nu iets heel anders, werk nu als directiechauffeur bij de overheid. Ik heb alle veiligheidsonderzoeken doorlopen en een VOG [verklaring omtrent het gedrag] gekregen.”
Rechter: „U zegt dus: ik zag mezelf toen niet als taxichauffeur maar nu weet u dit wel? Begrijpt u dat er dan consequenties zijn? Hoe is uw financiële situatie?”
Meneer A: „Inmiddels is die redelijk stabiel. Ik heb nu een vaste aanstelling bij het Rijk, het gaat best goed. Ik heb nog wel een paar schulden uit de coronatijd die ik moet terugbetalen aan de Belastingdienst.”
Rechter: „Zou een veroordeling vandaag gevolgen hebben voor uw nieuwe baan?”
Meneer A: „Ik heb dit wel aangegeven maar ik weet het niet. Het kwam ook allemaal een beetje tegelijk. Vanaf vorig jaar staat deze zaak open.”
Rechter: „Deze lopende zaak was voor uw werkgever blijkbaar geen beletsel om de VOG af te geven en om u aan te nemen.”
De officier van justitie gaat staan en begint aan zijn requisitoir: „Deze zaak is gedagvaard omdat er een hoge geldboete op staat en omdat meneer eerder heeft aangegeven dat hij hoge schulden heeft. Dit is een economisch delict en dat is een ernstige zaak. De politie noemt illegale taxivervoerders ‘snorders’. Meneer moest een taxivergunning hebben, anders is er sprake van oneerlijke concurrentie. Dat is niet veilig en niet eerlijk, vandaar die hoge geldboetes. Er is niet veel jurisprudentie voor dit soort economische delicten. Maar op basis van wat ik heb gevonden, verzoek ik de rechter om een geldboete van 1.500 euro op te leggen, waarvan de helft voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.”
Rechter: „Wat vindt u van deze eis?”
Meneer A: „Best wel goed, denk ik.”
Rechter: „Wilt u nog iets vragen of zeggen?”
Meneer A: „Wat houdt dat eigenlijk in, de helft voorwaardelijk?”
Rechter: „U betaalt nu de helft van de geldboete. Als u de komende twee jaar een ander strafbaar feit zou plegen, komt deze straf weer naar voren. Kunt u nu 750 euro betalen?”
Zou een veroordeling vandaag gevolgen hebben voor uw nieuwe baan?
Meneer A: „Dat lukt mij wel.”
Rechter: „Dan sluit ik nu het onderzoek en mijn uitspraak is als volgt. We kunnen er heel kort over zijn. U heeft taxivervoer verricht en daar had u een vergunning voor nodig die u niet had. Hier staan geldboetes op. Ik vind de eis van de officier heel redelijk. Een geldboete van 1.500 euro, waarvan 750 euro voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Als u die geldboete niet betaalt, dan wordt u vastgezet. U mag hiertegen nog in hoger beroep gaan.”
Meneer A.: „Ik laat het hierbij.”