De vriendin van mijn moeder

fictie
Voorpublicatie Dit is een ingekort gedeelte van het tweede hoofdstuk van Het gele huis, de nieuwe roman van de beroemde Japanse schrijver Mieko Kawakami, waarin hoofdpersoon Hana als tiener kennismaakt met Kimiko, een vriendin van haar moeder. Op een dag wordt Hana wakker naast een vrouw die niet haar moeder is. Op zich is dat niets uitzonderlijks, maar dit keer is het anders.
Leeslijst Leeslijst
Illustratie Leonie Bos

Het was in de zomer toen ik vijftien was dat ik Kimiko voor het eerst ontmoette.

Op een ochtend aan het begin van mijn laatste zomervakantie van de onderbouw van de middelbare school lag er een vrouw naast me te slapen op de plek waar eigenlijk mijn moeder had moeten liggen.

Haar gezicht was niet te zien en ze mocht dan wel moeders pyjama aanhebben, toch wist ik direct dat de vrouw die met haar rug naar me toegekeerd zwaar ademhalend diep in slaap was, niet mijn moeder was.

Steunend op mijn ellebogen deinsde ik terug, maar vrijwel onmiddellijk zag ik in dat het niets uitzonderlijks was en ging ik weer slapen. Het was al een paar keer eerder voorgekomen dat mijn moeder, die bij een bar in de buurt werkte, een vrouwelijke collega of vriendin mee naar huis had genomen en een logeerplek had aangeboden.

Toen ik weer wakker werd, was de vrouw nergens meer te bekennen en lag de pyjama keurig gladgestreken boven op de in drieën gevouwen futon. Het was de afgedragen pyjama die mijn moeder weet ik hoeveel jaar al droeg, maar ik vond het zo verfrissend om hem te zien liggen in dezelfde mooie vorm die kleding heeft wanneer die in winkels wordt verkocht, dat ik mijn ogen er een tijdje niet van af kon houden.

Ik was gewend om kledingstukken en ondergoed te drogen te hangen aan een kleerhanger aan de gordijnrails bij het raam, en de droge items direct van de hanger te halen en aan te trekken. Bovendien slingerden er overal en nergens spullen rond, waardoor alleen dit stukje van de kamer sereen overkwam, als een witte plek die zorgvuldig is uitgegumd in een schrift dat met een grijszwart potlood is volgeklad.

Mijn moeder en ik woonden in een kleine wijk aan de rand van het plaatsje Higashimurayama, in een klein, oud appartementencomplex dat vanaf de hoofdweg niet te zien was. Tussen de vrijstaande woningen aan de straatkant lag een slecht onderhouden pad van ongeveer drie meter breed, en als je dat uitliep en aan het eind links afsloeg, kwam je bij onze gemeenschappelijke portiek uit. ‘Villa de Frisse Wind’, stond er geschreven, in zulke oude en zwart uitgeslagen schrifttekens, dat je ze alleen met de grootste moeite kon lezen, boven een ingang die deed denken aan een onheilspellende grot, en in de gang waar slechts een paar zwakke peertjes hingen was het altijd donker, hoe zonnig het buiten ook was.

Het was een houten gebouw met twee woonlagen, waarbij zich op zowel de beneden- als de bovenverdieping vier woningen met dezelfde indeling bevonden, maar behalve wij en de huisbazin, een vrouw van middelbare leeftijd die in de achterste woning op de eerste verdieping woonde, had het gebouw geen bewoners.

Als je de broze houten schuifdeur van de woning opende, die zelfs een kind had kunnen intrappen, kwam je via een kleine hal terecht in een keuken van om en nabij vijf vierkante meter, met daarachter twee kamers van zevenenhalve vierkante meter achter elkaar. Het gemeenschappelijke toilet in het achterste deel van de benedenverdieping gebruikten alleen wij. Doordat het appartementencomplex aan alle kanten was omgeven door gebouwen, kon je als je het raam openzette alleen de betonnen muren van het aangrenzende gebouw zien, en kwam er praktisch geen licht binnen.

Wij huurden twee appartementen op de begane grond. Als je voor de ingang van Villa de Frisse Wind stond, waren het de woningen direct links en rechts daarvan. Mijn moeder en ik maakten voornamelijk gebruik van de woning aan de rechterkant.

De linkerwoning was die waar mijn vader verbleef, maar ook al stond er een tv, lag er een futon en hingen er een paar kledingstukken in de inbouwkast, het voelde niet alsof er in de woning geleefd werd. Mijn vader was dan ook nooit lang thuis.

In die tijd wist ik niet precies wat voor werk hij deed. Hij was fors gebouwd en had altijd een erg zongebruinde huid, dus ik dacht dat hij dagloner was, waarschijnlijk werkte hij als bouwvakker of vrachtwagenchauffeur of zo, waardoor hij van tijd tot tijd langere periodes onderweg was (een keer toen ik van de basisschool naar huis liep, riep mijn vader me toen hij in een grote vrachtwagen zat). Er was ook een periode waarin hij collega’s in soortgelijke werkkleding mee naar huis nam om samen een stoofpot of yakiniku te eten en alcohol te drinken, maar die was van korte duur.

De zeldzame keren dat ik hem zag, was mijn vader in een goed humeur. Dan gaf hij me een badmintonset of een pop die hij bij een grijpautomaat had gewonnen, of maakte hij me als hij opeens midden in de nacht was thuisgekomen speciaal wakker om me de sushi te laten eten omdat die zo lekker was.

Het was niet zo dat ik een hekel aan hem had, maar we hadden nu eenmaal weinig tijd met elkaar doorgebracht, waardoor ik nooit wist waar ik met hem over moest praten. Als hij thuiskwam werd ik altijd nerveus en probeerde ik hem te behagen, waardoor ik me altijd aan het afvragen was of hij vroeg thuis zou komen. Ik vroeg me ook af wat ik moest doen als mijn vader zou merken dat ik nerveus van hem werd, en dat maakte me nog somberder. Ik was me ervan bewust dat mijn vader geen doorsneevader was, maar desondanks voelde ik ergens aan dat het eigenlijk zielig voor hem was dat zijn eigen kind zo over hem dacht, en dat bracht weer een ander soort spanning en zelfhaat met zich mee.

Tegen de tijd dat ik in groep zeven of acht van de basisschool zat, kwam mijn vader helemaal niet meer thuis en zag ik hem ook nooit meer. Wat hij nu doet of hoe het met hem gaat weet ik niet. Later ben ik erachter gekomen dat mijn vader in die tijd blijkbaar een tweede huis had, of liever gezegd, dat hij bij andere mensen woonde.

Alleen met mijn moeder leven was weliswaar aangenaam en zorgeloos, maar tegelijkertijd eentonig. Mijn moeder hield van plezier maken en – hoewel ze er niet goed tegen kon – van alcohol, ze had veel vriendinnen en was inschikkelijk. Na het behalen van haar diploma aan een plaatselijke middelbare handelsschool was ze als vaste arbeidskracht gaan werken in een kousenfabriek, en ze schepte graag op over het feit dat ze ooit in ieders bijzijn beenmodel mocht zijn toen een paar hoge piefen van het hoofdkantoor voor een bezichtiging langs waren gekomen. Naar het schijnt is ze daar maar een paar jaar in dienst gebleven, daarna leefde ze samen met een vriendin van haar werk bij verscheidene plaatselijke bars, en in die periode ben ik geboren.

Mijn moeder zag er vergeleken met de moeders van mijn klasgenootjes een stuk jonger uit, ze was flamboyant, en ook ik, haar dochter, vond haar geen doorsneemoeder. Ze was klein van gestalte, had op de een of andere manier iets kinderlijks in haar gezicht, bezat een luchthartig en opgewekt karakter en lachte veel, maar als ze alcohol dronk kon je de klok erop gelijk zetten dat ze ging huilen. Niet dat ze daar een aanwijsbare reden voor had, ze had nu eenmaal een emotionele dronk, of hoe noem je dat. Voor mijn moeder stond na het nuttigen van alcohol de bloemetjes buiten zetten vrijwel gelijk aan huilen.

In normale huizen gebeurt het niet dat je alleen al vrolijk wordt omdat een futon en een pyjama
zijn opgevouwen

Ze leek niet bijzonder gehecht aan mijn vader, want ik heb haar nooit over hem horen mopperen of kwaadspreken, en het leek haar ook niet bijzonder veel te interesseren dat hij op een dag niet meer thuiskwam. Het kwam zo nu en dan voor dat ze quasi-schertsend vertelde wat voor een vreselijk mens haar moeder was, met wie ze gebroken had, maar ook dat beperkte zich tot momenten waarop ze door de alcohol opgewonden en sentimenteel was geworden.

Als we tijd samen doorbrachten, vond mijn moeder het over het algemeen fijn om niet met zijn tweeën te zijn, maar er nog iemand anders bij te hebben. We hingen vaak rond met een hostess van de bar waar ze werkte, met iemand die een klant aan haar had voorgesteld of met een vriendin uit haar geboortestreek met wie ze al vanaf haar jeugd omging, en wanneer ik alleen met mijn moeder was, was ik altijd licht gespannen. We leidden een leven waarin we elkaar in de basis misliepen: als ik op school was sliep mama, ze kwam pas na het middaguur uit bed, aan het eind van de middag deed ze haar make-up op om vervolgens naar haar werk te gaan en pas diep in de nacht weer thuis te komen.

Er was maar één kind in de buurt dat in eenzelfde soort situatie zat, en met haar raakte ik bevriend. Aangezien wij als schoolkinderen al niet op een bepaalde tijd thuis hoefden te zijn, leken de ouders die hun kinderen niet zomaar overal heen lieten gaan of van gezinnen waar ze op een vaste tijd aan tafel gingen voor het avondeten, huiverig om hun kinderen te veel tijd met ons door te laten brengen. Ze hadden ze op zijn minst verboden om bij ons thuis te komen spelen. Ik heb een keer aan een ander, vrij lief vriendinnetje dat op school normaal met me omging maar na schooltijd met kinderen uit een andere groep meeging naar de reden gevraagd. Daarop vertelde ze me met enige schroom: „Ik mag van mijn ouders niet bij jou spelen, omdat er bij jou thuis rare volwassenen over de vloer komen en het geen fatsoenlijk huis is.” Ik had er niets tegen in te brengen, want het was geen leugen of roddel waar kwade bedoelingen achter zaten; het was eenvoudigweg de waarheid.

Toen ik naar de middelbare school ging, begon ik de gezichten van mijn klasgenoten, hun houding, allerlei dingen scherper aan te voelen. Ik had de indruk dat ik in één oogopslag kon zien welk kind uit een normaal gezin kwam en welke niet, alsof ze een andere kleur pet ophadden. In normale huizen gebeurt het niet dat er een onbekende vrouw naast je ligt te slapen als je ’s ochtends wakker wordt. Het gebeurt er ook niet dat je alleen al vrolijk wordt omdat een futon en een pyjama zijn opgevouwen, en waarschijnlijk ook niet dat je daar dan een hele tijd naar wilt blijven turen.

Ik vouwde mijn eigen futon op dezelfde manier in drieën en legde hem naast de al opgevouwen futon. Ik was alleen in de kamer en er was ook niemand in de keuken, dus ik schoot in mijn slippers, stapte de gang in en opende de deur van de kamer ertegenover. De tv stond hard aan, en toen ik naar binnen keek zag ik een vrouw met haar rug naar me toe liggend naar het shownieuws kijken. De ventilator die we al een eeuwigheid gebruikten, draaide op zijn gemak naar links en naar rechts, en maakte daarbij zo nu en dan een knarsend geluid.

De vrouw merkte me op, draaide zonder van houding te veranderen haar gezicht naar me toe en glimlachte. Ze lachte zo ontzettend vanzelfsprekend naar me, dat ik me even afvroeg of ik haar niet eerder had ontmoet. Maar het was een vrouw die ik niet kende. Ze had afgelopen nacht wellicht in de andere kamer op de futon naast me geslapen, maar het was in ieder geval de eerste keer dat ik haar op deze manier in de ogen keek. Nadat ze haar gezicht weer op het beeldscherm had gericht, lachte ze vrolijk met licht schuddende schouders om het gejubel van de mensen op tv. Op de grens van de keuken met de kamer stond ik de tv, de ventilator en de vrouw gade te slaan.

„Zullen we iets eten?”, zei de vrouw terwijl ze zich uitrekte toen het programma was afgelopen en de reclamespotjes begonnen. „Ik heb honger, wat jij?”

We stonden in de smalle keuken en maakten ramen uit een pakje.

De vrouw was een maatje groter dan ik en haar armen en benen leken beduidend langer dan de mijne. Haar lange, golvende zwarte haar zat in een staart in haar nek en haar haarpunten hingen verspreid over haar grote, witte T-shirt met een Engelse tekst erop. Ik ging op een afstandje van haar staan en tuurde naar hoe het water voor twee personen dat ik in een aluminium pan had gedaan aan de kook raakte.

De vrouw scheurde de verpakking behendig open, trok de noedels in het kokende water uiteen, voegde het bouillonpoeder toe, roerde het geheel gezwind door elkaar en verdeelde de ramen over de twee kommen die ik klaar had gezet. Ze deed een poging om de wonton die aan de rand van de pan bleef plakken met de uiteinden van haar houten wegwerpeetstokjes te pakken, maar omdat die niet makkelijk losliet, zei ze opgewekt: „Ach, laat ook maar. Ik breng ze daarnaartoe”, en wees naar de kamer. Ik pakte de kotatsu die zonder verwarmingselement op zijn kant tegen de muur aan stond erbij, we gingen er tegenover elkaar aan zitten en begonnen onze ramen naar binnen te slurpen.

„Je hebt zomervakantie, toch? Gaan jullie nergens heen?”

Ik maakte een onbestemd geluid dat deels wel en deels geen antwoord was. Hoewel ik het tot een seconde daarvoor niet eens zo warm had, voelde ik nu dat ik plotseling was gaan zweten. Ik strekte mijn hand uit, zette de airconditioning aan en drukte op de knop voor hard blazen.

„Ga je met Ai ergens heen?”

Ai, zo heette mijn moeder. „Nee, niet echt nee.”

„Hmm. Hoe heet jij? Ik heet Kimiko.”

„Hana.”

„Hana. Wie heeft je zo genoemd? Ai?”

„Dat weet ik eigenlijk niet”, antwoordde ik zachtjes.

„Hm.”

„Eh… je bent een vriendin van mama, toch?”

„Ja, klopt.”

Daar viel ons gesprek stil. We aten de rest van onze ramen in stilte op. Er was een quiz op tv, en de motor van de oude airco zoemde. Na een poosje hoorde ik buiten zachtjes een ambulance, en net toen ik dacht dat het geluid iets dichterbij was gekomen, verwijderde het zich weer.

„Hana. Heeft dat kanji?”

„Ja, je schrijft het met de standaard kanji voor bloem.”

„Mijn naam, Kimiko, schrijf je met de ki voor geel, met daarnaast de karakters voor mooi meisje. Ki-mi-ko.”

Ze lachte zo ontzettend vanzelfsprekend naar me, dat ik me even afvroeg of ik haar niet eerder had ontmoet

Ik knikte, wederom onbestemd, en dronk van mijn soep. Zodra ik met de kom in mijn handen heel even opkeek, ontmoetten mijn ogen die van Kimiko die al uitgegeten was en nu met haar elleboog op de kotatsu leunde, waarop ik onwillekeurig wegkeek. Vervolgens wierp ik nogmaals van achter de rand van mijn kom vluchtig een steelse blik op haar gezicht. Kimiko’s gezicht verschilde van dat van iedere vrouw die ik tot dan toe had gezien.

Elk menselijk gezicht is anders, dus zo gek was dat niet, maar alsnog had Kimiko’s gezicht een soort présence die ik met de woordenschat die ik op dat moment tot mijn beschikking had niet goed kon duiden. Hoewel ze aan haar gezicht te zien net wakker was en hoogstwaarschijnlijk dus nog geen make-up op had gedaan, waren haar wenkbrauwen dik, de wimpers op haar duidelijk zichtbare dubbele oogleden vol en lang, en de ruimte tussen haar wenkbrauwen en haar ogen was smal. Haar neusbeen stak scherp naar voren, en het haar dat vanaf haar slapen doorliep tot aan haar bakkebaarden was vochtig van het zweet waardoor het spiraalvormige krulletjes vormde.

Kimiko’s gezicht was niet zozeer mooi als wel krachtig. Het deed me denken aan de jonge en waardige farao, de held van een meisjesmanga die zich in het oude Egypte en in het heden afspeelde en razend populair was toen ik op de basisschool zat, en waar ikzelf ook behoorlijk gefascineerd door was. Als ik Kimiko met haar ogen op de tv gericht haar nek zag kraken of van houding zag veranderen, kreeg ik de indruk dat de tekst van die hoofdpersoon schuin boven haar hoofd verscheen en ik het kader van het stripplaatje kon zien, wat ik nogal vermakelijk vond.

„Ik heb trek in frisdrank. Zin om die mee te gaan kopen?”, vroeg Kimiko nadat ze de kommen naar de gootsteen had gebracht en weer terug was in de kamer. We gingen zonder ons op te frissen naar buiten en liepen naar de buurtwinkel. „Ik zag dat jullie thuis twee kamers hebben, maar toch niet apart slapen?”

„Waar we net ramen hebben gegeten noemen we de tv-kamer, en de andere kamer de futonkamer, dus ja, dat is hoe we het altijd hebben gedaan.”

„De huiskamer, bedoel je?”

„Het is niets om trots op te zijn, maar ja”, zei ik met mijn blik op de grond.

„Wel gezelliger dan in je eentje slapen, toch?”

Het zomerse zonlicht was zo schel dat ik onwillekeurig met mijn ogen kneep, en telkens als ik ademhaalde voelde ik de hitte mijn huid binnendringen.

Het appartementencomplex waarin ik woonde lag direct achter mijn middelbare school. Als je ongeveer tweehonderd meter langs de grijze muur rond het schoolgebouw liep, links de hoek om ging en een poosje doorliep kwam je bij de schoolpoort uit, en aan de andere kant van de weg, precies daartegenover, bevond zich de buurtwinkel.

We gingen de buurtwinkel in, Kimiko pakte frisdrank, deed onder andere een zak chips en wat gedroogde inktvisreepjes in een mandje en zei: „Doe er maar in wat je wilt, ze hebben ook ijsjes en zo.” Ik was alleen maar meegekomen met Kimiko om die frisdrank te kopen, en omdat het niet in me was opgekomen om zelf iets te gaan kopen had ik geen geld bij me. „Heb je gehoord dat Ai misschien een tijdje niet thuis zal komen?”, zei Kimiko terwijl ze het schap met zoete broodjes doorsnuffelde.

Een versie van dit artikel verscheen ook in de krant van 6 juli 2024.

Mail de redactie

Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?

U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.

Maximaal 120 woorden a.u.b.
Vul je naam in