Terug naar de krant

Directeur MoMu: ‘Weinig dingen zijn zó moeilijk om tentoon te stellen als kleding’

rubriek
Wijzer Kaat Debo (48) is directeur en hoofdcurator van modemuseum MoMu in Antwerpen. Dit is wat ze leerde in het leven: moderne stoffen zijn het lastigst te conserveren en met enthousiasme kom je verder dan met ervaring.
Leeslijst
Foto Piet Oosterbeek

„Toen ik in 2001 solliciteerde op een baan als curator bij het ModeMuseum had ik nul ervaring in de mode of bij musea, al heb ik wel een moeder die goed kan naaien en een oudere zus die de mode in is gegaan, zij is nu studio director bij Dries Van Noten. Ik was net gestopt met mijn doctoraat in theaterstudies aan de Universiteit van Antwerpen, omdat ik onderzoek doen te eenzaam vond. Ik denk dat mijn enthousiasme ervoor gezorgd heeft dat ik de baan heb gekregen. Ik had me héél goed voorbereid. Nu ik zelf veel sollicitatiegesprekken voer, let ik ook op iemands drive. Je moet je bij het aannemen van nieuwe mensen niet laten leiden door ervaring. Je leert bij de meeste banen toch veel on the job.

Linda Loppa, de toenmalige directrice, had ook nooit eerder bij een museum gewerkt. Dat we op bepaalde vlakken een beetje naïef waren, gaf ons de vrijheid om de platgetreden paden te verlaten. Voor onze eerste tentoonstelling waren de budgetten klein, dus we hadden de kartonnen kostuumdozen waarin we kleding bewaren en waarop met stift inventarisnummers stonden gekliederd als decors gebruikt. Dat vond men toen heel vernieuwend. Alleen door te experimenteren vernieuw en innoveer je. Het experiment erin houden is makkelijker gezegd dan gedaan, want na al die jaren weet je wat sowieso wel en niet gaat werken.

Modetentoonstellingen blijven vaak hangen in visueel spektakel met weinig context of verhaal. Wij belichten nooit alleen een kledingstuk, maar ook de maatschappelijke impact van mode. Naast tentoonstellingen over ontwerpers hebben we tentoonstellingen gewijd aan bijvoorbeeld de connectie tussen mode en psychologie of over mode als spiegel voor de politieke en sociale evoluties van de afgelopen drie decennia. Oude kleren kunnen ons veel leren over ons menszijn. Mode staat niet los van de wereld, maar is verbonden met alles wat we doen.

In onze huidige tentoonstelling over de Belgische modefotograaf Willy Vanderperre is voor het eerst geen kleding te zien. Tijdens het opbouwen lagen we voor op schema, een unicum. Een fototentoonstelling is op een aantal vlakken minder complex dan een modetentoonstelling. Het woord makkelijk wil ik ook weer niet gebruiken, maar bij een foto is alles duidelijk: die komt wel of niet ingelijst aan de muur. Weinig dingen zijn zó moeilijk om goed tentoon te stellen als kleding. Het is gemaakt voor een bewegend mensenlichaam en lijkt op een pop algauw een dood object. Veel musea vertillen zich daaraan.

We worden regelmatig uitgenodigd om op de zolder van iemands overleden oma te komen kijken

Onze collectie bestaat uit een kleine 40.000 objecten en daar komen er elk jaar een paar honderd bij. Omdat mode snel gaat, is het onmogelijk de historische afstand te nemen die eigenlijk nodig is om een collectie op te bouwen. Bij net startende ontwerpers wachten we vaak een paar seizoenen voor we iets aankopen. Soms merk je achteraf dat je daardoor iconische stukken gemist hebt. Hedendaagse mode kopen we tijdens de modeweek. Dat is het moment om het volledige catwalksilhouet te kopen, met alle accessoires erbij. Als je een half jaar wacht tot de collectie in de winkels ligt, is het goed mogelijk dat bepaalde stukken niet zijn ingekocht en nergens verkrijgbaar zijn.

We krijgen veel schenkingen. Dat zijn vaak stukken waar mensen een emotionele band mee hebben: trouwjurken of doopjurken van hun overgrootmoeder. Als we al een vergelijkbaar stuk hebben, zeggen we meestal nee. De meeste mensen kunnen moeilijk inschatten wat waardevol is. We worden regelmatig uitgenodigd om op de zolder van iemands overleden oma te komen kijken. De kleding met het meeste borduurwerk, de meeste bling, wordt altijd als eerste getoond. Een vroegere conservator van ons vroeg dan altijd: mag ik even in het mandje kijken met de dingen die je weg wil gooien? Vaak kwamen daar de bijzonderste stukken uit.

Foto Piet Oosterbeek

Duurzaamheid is dé grote uitdaging waar de modewereld nu voor staat. Hoe ga je daarmee om als modemuseum? Je wil je publiek op een correcte manier informeren, maar dat is door de intransparante modewereld met z’n zeer complexe productieketens niet makkelijk. Storytelling is de voornaamste functie van een museum. We kunnen de liefde en het vakmanschap die in kleding zit onder de aandacht brengen. Als je daar geen kennis over hebt, is er minder kans op een emotionele relatie met een kledingstuk, waardoor je het makkelijker van de hand doet. Wat voor kledingstuk je ook koopt: koester het, verzorg het en dráág het.

Musea zijn per definitie geen duurzame plekken. We verbruiken veel energie omdat we een zo constant mogelijke temperatuur en luchtvochtigheid in stand moeten houden in onze depots en tentoonstellingszalen. De stoffen die het lastigst te conserveren zijn, zijn verrassend genoeg moderne materialen: kunststoffen. Die worden vaak gebruikt als coating: een dun laagje op een andere stof. We zien steeds vaker dat die beginnen te kleven, te barsten, te rieken, te schilferen of er komt witte uitslag op.

We promoten indirect een schoonheidsideaal dat we helemaal niet willen promoten

Paspoppen zijn inherent problematisch. We tonen een gestandaardiseerd lichaam in maat 36 of 38, maten die de meeste vrouwen niet hebben. Dat veel objecten die we geschonken krijgen catwalkstukken zijn heeft daar natuurlijk ook mee te maken. En als je eenmaal een bepaalde mannequinpop hebt, blijf je kleding in die maat aankopen. Die poppen worden niet specifiek voor ons gemaakt, want we zijn een te kleine afnemer. Het zijn ook nog eens hoofdzakelijk poppen met een witte fysionomie. We promoten indirect een schoonheidsideaal dat we helemaal niet willen promoten. Daarom experimenteren we nu met onder meer live performances.

Na een complexe renovatie van drie jaar ging het museum in 2021 eindelijk weer open. Na een paar maanden moesten we opnieuw acht maanden sluiten wegens problemen met de klimaatinstallatie. Ik heb toen, in 2022, een sabbatical van tien maanden genomen. Ik heb vooral vertraagd. In mijn tuin werken, lezen, koken, wandelen, yoga, met de kinderen bezig zijn. En ik heb veel nagedacht: was het niet tijd om te stoppen? Ik zeg vaak en met veel overtuiging dat elke artistieke instelling elke zoveel jaar een frisse wind nodig heeft en opeens zat ik hier zelf 23 jaar. Ik kwam tot de conclusie dat er nog te veel uitdagingen zijn om te stoppen. Toen ik als jonge directeur begon, was ik bezig mezelf te manifesteren met grote namen en een internationale reputatie op te bouwen. Nu wil ik nog sterker focussen op publieksverbreding en maatschappelijke relevantie. Wie bereiken we nog niet? Welke verhalen zijn voor die mensen relevant? De tijd dat musea in eenrichtingsverkeer hun verhalen brengen is voorbij.

Het is belangrijk om kinderen op jonge leeftijd in contact te brengen met cultuur en daar een fijne ervaring van te maken. Niks zo erg als een kind dat een museum onwaarschijnlijk saai vindt. Dat eerste contact bepaalt of ze later nog teruggaan. Ik wil dat jongeren hier hun talenten kunnen ontdekken, daarom hebben we allerlei workshops en lesprogramma’s. Niet dat ze allemaal in de mode moeten gaan werken, maar ik geloof heel erg dat je creativiteit ontdekken voor iedereen waardevol is. Bij een bepaalde leeftijd moet je even doorbijten, dan krijgen ze andere interesses. Mijn jongste dochter van tien zei laatst nog: mama, je mag niet boos worden, maar ik vind jouw tentoonstellingen soms wel een beetje saai. Heel leerzaam.”

Een versie van dit artikel verscheen ook in de krant van 4 mei 2024.

Mail de redactie

Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?

U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.

Maximaal 120 woorden a.u.b.
Vul je naam in