Een piepende monitor hangt boven haar ziekenhuisbed. Haar rechtermondhoek hangt naar beneden, haar rechterarm en been kan ze niet bewegen. Infuus. Een slangetje in de neus voor sondevoeding. Praten gaat niet.
Een dag terug liep ze nog door haar eigen huis. Daar kookte ze, keek tv en las de krant. Ze maakte een wandelingetje buiten, scharrelde rond in een lager tempo dan ze ooit deed, ze was immers negentig. Haar leven was van haar.
Dat is niet meer. Met kalme gelatenheid bekijkt ze de vriendelijke verplegers die haar wassen en voeden.
In het ziekenhuis gebeurt waar het ziekenhuis voor is bedoeld. Na een paar dagen knapt ze op. Ze kan met veel kussens een beetje rechtop zitten. De hangende mondhoek trekt bij. Korte zinnen gaan nu ook.
„Ik wil dit leven niet.”
Iedereen om haar heen heeft wel eens leukere dingen gehoord. We proberen haar op te vrolijken: Terug naar je eigen huis kan helaas niet meer. Maar er zijn heel fijne revalidatieplekken met een mooie tuin waar je in de zon kunt zitten. Toastje met kaas. Wijntje erbij.
„Ik wil dit niet.”
Hoe anders gaat dat aan het begin van het leven: op de komst van een baby bereiden we ons grondig voor. Er zijn honderdduizend boeken, blogs en fora over elke stapje in de zwangerschap. Er komt iemand van het consultatiebureau bij je thuis het aantal hydrofiele luiers in de commode tellen. Best veel vrouwen komen met een bevallingsplan van een paar A-viertjes het ziekenhuis binnen.
Met het einde, van onszelf of van een naaste, houden we ons veel minder bezig. Dat komt pas aan de orde als het zover is.
Hoe ga je dood, als je hart maar doorklopt? „Ik heb een prachtig leven gehad, mijn leven is voltooid. Ik verheug me op mijn dood”, schreef Diny Kuppens (81) in een ongemakkelijk opiniestuk vanuit een verpleeghuis. Zij wilde euthanasie maar dat bleek niet eenvoudig. En dat is in haar geval rot. In veel andere gevallen is het maar goed ook.
Doodgaan kan je niet oefenen. Je hele leven doe je je best om in leven te blijven. Je kán stoppen met eten en drinken. Ja, lekker makkelijk gezegd. Je kán ook in je broek plassen. Doe dat maar eens.
Zij nam, negentig jaar oud, het heft in eigen hand. De arts keek ervan op. Haar zoons niet. Die kennen die vastberadenheid. Ik zal jullie missen, zei ze.
De verpleging zorgde ervoor dat ze geen pijn had. Haar kinderen hielden haar hand vast en bevochtigden haar lippen. Het duurde negen dagen. Het leven is tot de laatste zucht van haarzelf geweest.