Een paar jaar voordat ik werd geboren, las mijn moeder De wereld van Sofie (1991) van Jostein Gaarder. Het boek was destijds overal te vinden, in etalages en op bestsellerlijsten, en de naam bleef bij haar hangen.
Rond mijn elfde vond ik dat het tijd was om het boek te lezen waarnaar ik was vernoemd. De gelijknamige serie was toen ook al op Zapp verschenen. Mijn herinneringen aan het boek en de serie lopen door elkaar, maar wel weet ik nog hoe de veertienjarige Sofie mij al fascineerde. Zij ontvangt van een onbekende filosoof brieven met vragen als: ‘Wie ben ik?’ en ‘Waar komt de wereld vandaan?’ Terwijl hij haar meeneemt op een reis door de geschiedenis van de filosofie, probeert Sofie te ontdekken wie hij is. Ik weet nog dat ik hoopte op een soortgelijke brief in de donkerblauwe brievenbus van mijn ouderlijk huis. Maar die bleef leeg.
Ik durf te zeggen dat ik toentertijd nooit het einde heb gelezen. Ik was vooral gegrepen door de eerste hoofdstukken, die heel erg over het ‘ik’ gaan. Die vragen intrigeerden me des te meer omdat het hoofdpersonage mijn naam droeg.
Ik kwam niet verder dan de eerste honderd bladzijden. Het verhaal, dat begint met brieven vol spannende vragen, gaat al snel over in dialogen die bedoeld zijn als filosofieles. Die vond ik op die leeftijd te pittig en te taai. Later bladerde ik vooral door, op zoek naar de ontknoping: wie was die mysterieuze afzender? Bij een tweede lezing kon ik me dat niet herinneren.
Vorig jaar las ik het opnieuw, en wel een bijzonder exemplaar: de versie die ooit van mijn opa was. Toen ik 21 werd, kreeg ik dit boek van mijn moeder. Aan de binnenkant van de kaft zie ik dat ook hij het waarschijnlijk meerdere keren heeft gelezen. In zijn onleesbare handschrift staan daar wat jaartallen gekrabbeld, waaronder december 2003 en december 2004.
Over het boek heb ik nooit met mijn opa kunnen praten; hij overleed toen ik tien was. Maar met zijn aantekeningen kom ik best een eind. Ze bestaan vooral uit vraagtekens en onderstrepingen bij passages, zoals bij de ondertitel op de binnenkant van de kaft: ‘Roman over de geschiedenis van de filosofie.’ Naast die woorden tekende hij met balpen een groot vraagteken. Bij het herlezen bleef die vraag door mijn hoofd spelen: wat maakt dit eigenlijk tot een roman? Deze keer beschouwde ik het boek vooral als een compacte les in de wereldfilosofie.
Toch wist het boek, zelfs toen ik een kind was, al een belangrijke boodschap over te brengen: dat het denken plezier schept.
Waar ik als kind vooral de verhalen over natuurfilosofen interessant vond, trokken nu vooral de cultuurfilosofen, zoals Kant en Hegel, en de existentialisten, zoals Kierkegaard en Sartre mijn aandacht. Hun complexe ideeën, die voor mij als elfjarige te abstract waren, resoneerden nu veel sterker. Ook las ik voor het eerst het einde, dat ik voorheen niet goed begreep. Tegen het einde wordt de structuur van het boek namelijk het onderwerp – Gaarder speelt met het idee dat de personages onderdeel zijn van een verhaal binnen een verhaal; een soort Droste-effect.
De wereld van Sofie kent ook gebreken, zie ik nu ik iets meer kennis heb van filosofie dan toen ik elf was. Het boek richt zich sterk op de traditionele westerse filosofen, en ook die worden summier behandeld. Toch wist het boek, zelfs toen ik een kind was, al een belangrijke boodschap over te brengen: dat het denken plezier schept.
Het boek bracht me terug naar het verleden en liet me opnieuw ervaren wat voor kind ik was toen ik het voor het eerst las: nieuwsgierig, maar snel afgeleid. Ook voelde het dit keer anders, omdat ik het boek deels door de ogen van iemand anders las. Mijn opa’s aantekeningen, hoe vluchtig ook, spoorden me aan om zelf ook meer te gaan schrijven in mijn boeken.