Villa A geeft het woord ‘doorzonwoning’ een nieuwe dimensie. De betonnen beganegrondverdieping van het brede huis ligt deels verscholen in het landschap, een terrein van 8.800 vierkante meter in een Natura 2000-gebied in Aerdenhout. De buitenwanden van de bovenverdieping zijn helemaal van glas, en er zijn nauwelijks binnenmuren, waardoor je dwars door het huis heen kijkt naar het bos dat erachter ligt, een effect dat nog eens wordt versterkt doordat het glas behoorlijk reflecteert. De bomen zijn beschermd – het gebouw maakt een knik om twee grote vliegdennen.
In de benedenverdieping van het 330 vierkante meter grote huis bevinden zich de slaapkamers van de vijf dochters van het samengestelde gezin voor wie het huis werd gebouwd. Op de eerste verdieping zijn de keuken, woonkamer, een werkkamer, en, helemaal aan het einde, de slaapkamer en badkamer van de ouders; het bad en het bed lijken tussen de bomen te hangen. Alleen voor het keukengedeelte is op verzoek van de bewoners een betonnen muur aangebracht. Zo is vanuit bijna het hele huis te zien wat er buiten gebeurt. Er komen reeën op het terrein, er zijn nestvoorzieningen voor marters, bijen, vleermuizen en vogels gemaakt.
„Wij vinden dat glas heel erg bijdraagt aan de woonbeleving”, zegt Martijn van Gameren (35), samen met Paul de Ruiter de architect van de energieneutrale villa die twee jaar geleden werd opgeleverd en door hen Villa A is gedoopt. „Je haalt zoveel mogelijk daglicht naar binnen en laat binnen en buiten eigenlijk in elkaar overvloeien. Je hebt verbinding met je omgeving, met de seizoenen, met hoe de tijd verstrijkt.”
Villa A is niet het eerste glazen gebouw van Paul de Ruiter Architects, waar Van Gameren partner is. Het bureau is gespecialiseerd in glas- en duurzame architectuur en ontwerpt bijna elk jaar een glazen villa. Volgens het bureau zelf is de glazen Villa Room (2004), een bijna 500 vierkante meter grote villa van twee verdiepingen met atelier en expositieruimte in Rhenen, het eerste energieneutrale huis van Nederland, hoewel een huis met veel glas meer energie verbruikt dan een bakstenen gebouw. De spectaculaire Villa Kogelhof (2013) is een enorme doos met een bruto vloeroppervlak van 715 vierkante meter die op slechts twee steunpunten rust en enkele meters boven het polderland in Noord-Beveland zweeft. En dan zijn er glazen kantoorgebouwen als Helix (2021) in de Utrechtse wijk Leidsche Rijn en de 75 meter hoge glazen appartemententoren B’Mine (2017) in Amsterdam-Noord. En niet te vergeten het eigen kantoor (2009), een standaard bedrijfshal aan de Schinkel in Amsterdam die werd voorzien van een geheel glazen gevel.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/05/23105243/data115293919-8a75cc.jpg)
Eeuwig modern
Al een eeuw zijn glazen gevels het middel bij uitstek om een gebouw eigentijds te maken. Paul de Ruiter Architects schrijft op hun eigen site dat de glazen gevels van Villa Kogelhof zorgen voor een „lichte en moderne leefsfeer”. De wolkenkrabbers die elk jaar overal op de wereld verrijzen, worden al een eeuw lang zelfs ‘futuristisch’ genoemd.
Behalve eeuwig modern is glas ook een paradoxaal, bijna anti-architectonisch bouwmateriaal, merkte architect Marjolein van Eig drie jaar geleden op in een van haar columns op Architectenweb. „Glas is niks”, schreef Van Eig, die zelf vooral gebouwen met gevels van baksteen bouwt. „Dat is de functie van glas, dat het er niet is. Je kijkt er niet naar, je kijkt er doorheen. Het heeft geen textuur, het is glad, je ogen glijden ervan af. Overdag spiegelt het, ’s avonds verdwijnt het.” Voor de altijddurende eigentijdsheid van het nietsige glas gaf ze als verklaring dat glasarchitectuur nog altijd wordt geassocieerd met „mooie, ambitieuze, democratische thema’s als licht, lucht en ruimte en vrijheid voor iedereen”.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/05/23105249/data115761558-5c066e.jpg)
Met ‘licht, lucht en ruimte’, de beroemde trits van de modernistische architectuur, verwees Van Eig naar de bron van de fascinatie van veel hedendaagse architecten voor glas: het Nieuwe Bouwen. Vooral Duitse, expressionistische Nieuwe Bouwers als Bruno Taut en Walter Gropius, de oprichter van de roemruchte en invloedrijke Duitse kunsthogeschool Bauhaus, raakten een eeuw geleden in de ban van glasarchitectuur. Ze geloofden heilig in de heilzame werking ervan. Als arbeiders en hun gezinnen niet in woonkazernes zouden wonen maar in tuinsteden met huizen van veelkleurig glas rondom glazen ‘Stadtkronen’ die hoog boven alles uittorenen, zouden ze, net als de middeleeuwse christenen in de gotische kathedralen, spiritueel worden verheven, zo was hun overtuiging. Glasarchitectuur was voor hen een nieuwe religie. „Laten wij gezamenlijk de nieuwe bouwkunst van de toekomst wensen (…) die eens ten hemel zal rijzen als een kristallen symbool van een nieuw geloof”, schreef Gropius in 1919 als laatste zin van het oprichtingsmanifest van het Bauhaus, dat niet toevallig een houtsnede van een gotische kerk als omslag heeft.
Van de plannen voor glazen tuinsteden is niets terechtgekomen. Wel werd glas, naast staal en beton, het favoriete bouwmateriaal van modernistische architecten. Zo kreeg het ateliergebouw van het door Gropius ontworpen Bauhausgebouw in Dessau uit 1926 geheel glazen vliesgevels die als gordijnen voor het betonskelet hangen. Twee jaar later begon Le Corbusier, de invloedrijkste architect van de twintigste eeuw, aan het ontwerp voor Immeuble Clarté, een appartementengebouw in Genève dat om zijn geheel glazen gevels bekend staat als het Maison de Verre. Le Corbusier noemde zijn glazen flatgebouw niet toevallig Clarté (helderheid): net als de andere Nieuwe Bouwers streefde hij naar een ‘puristische’ architectuur, ontdaan van ‘misdadige’ ornamentiek en andere overbodigheden.
Bijna niets
Het verst in het streven naar zuiverheid ging Ludwig Mies van der Rohe, de Duitse architect die van 1930 tot 1933 directeur van Bauhaus was. Nadat hij in 1938 uit nazi-Duitsland was geëmigreerd naar de Verenigde Staten ontpopte hij zich als de opperminimalist van het modernisme. ‘Weniger ist mehr’ oftewel ‘less is more’ werd zijn lijfspreuk, architectuur die ‘beinahe nichts’ is zijn streven. Tot op de dag van vandaag worden zijn vliesgevels van glas en metaal toegepast. Bijvoorbeeld door OMA, het bureau van Mies-bewonderaar Rem Koolhaas. Zowel zijn De Rotterdam op de Kop van Zuid in Rotterdam (2013), het grootste multifunctionele gebouw van de Benelux, als het door OMA ontworpen Nhow Hotel in Amsterdam (2020) kregen Mies-van-der-Rohe-vliesgevels.
Mies van der Rohes streven naar ‘bijna niets’ bereikte in 1951 een onovertrefbaar eindpunt met het Farnsworth House in Plano, een dorpje bij Chicago. Veel meer dan een zwevende rechthoekige doos, bestaande uit twee aan stalen balken opgehangen betonplaten met grote glasplaten ertussen, is het buitenhuis niet dat hij ontwierp voor de arts Edith Farnsworth. Het geldt nog altijd als de ultieme glazen villa; ook voor de bewoners van Villa A was het een inspiratie toen ze besloten een huis te laten ontwerpen.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/05/23105248/data115940131-7bcafc.jpg)
Farnsworth was overigens niet blij met haar huis. Ze vond het onbewoonbaar. ’s Zomers was het te heet om er te verblijven en ’s winters te koud. Ook besloegen de glazen muren vaak, zodat er van de doorzichtigheid van het huis niets overbleef. Zo teleurgesteld was ze over haar buitenhuis dat ze een – kansloos verloren – proces aanspande tegen Mies van der Rohe wegens wanprestatie.
Bijna buiten
Toen Paul de Ruiter twintig jaar geleden begon met zijn serie glazen huizen waren in Nederland nog geen villa’s te vinden met (bijna) geheel glazen gevels. Nederlandse modernistische architecten als Gerrit Rietveld bouwden steevast villa’s met gesloten en open gevelvlakken van glas. Wel ontwikkelde zich omstreeks 1960 de typisch Nederlandse doorzonwoning uit het klassieke rijtjeshuis. In de jaren 1960-1985 zijn er in de buitenwijken honderdduizenden rijtjeshuizen gebouwd met een etalageraam voor én achter en daartussen één lange, open woon-eetkamer. Zo werd de Nederlandse doorzonwoning het glazen huis voor de massa en werd de glazen utopie van de Duitse Nieuwe Bouwers alsnog realiteit.
De problemen die Edith Farnsworth ondervond met haar doorzichtige huis zijn in hedendaagse glazen gebouwen allang opgelost. Zo blijven de glazen villa’s van Paul de Ruiter Architects zelfs zonder airconditioning redelijk koel. In hun eigen kantoorgebouw wordt koude winterlucht opgeslagen op 105 meter diepte en in de zomer gebruikt voor de koeling. De zomerse warmte wordt op 70 meter diepte opgeslagen voor de wintermaanden. Villa A wordt verwarmd en gekoeld dankzij een warmtepomp waarvoor de zonnepanelen op het houten dak de energie leveren. Om de panelen heen staan grassen, die in de zomer, met de aarde waarin ze groeien, zorgen voor verkoeling. Een 70 centimeter brede luifel langs het hele dak zorgt voor extra bescherming tegen het zonlicht.
Hoe bevalt het leven achter glas de bewoners van Villa A? Het was even wennen, zegt de vrouwelijke hoofdbewoner, vooral als het buiten donker was. Dan keek ze vanuit het verlichte huis zonder gordijnen naar wat er uitzag als een „donkere bak”. „Wat overdag heel open is, was opeens gesloten. Maar dat gevoel ging heel snel over. Het meest fantastische is het wakker worden. In onze slaapkamer heb je de opkomende zon meteen in je toet. Je leeft eigenlijk bijna buiten. Ja, zo voelt het echt.”