De onderhandelingen duurden twee weken, de stemming over de begroting werd er zelfs voor uitgesteld, maar afgelopen woensdag was het dan zo ver: de coalitiepartijen en een deel van de oppositie bereikten een akkoord over de onderwijsbegroting. CDA, ChristenUnie, SGP en JA21 kwamen in de kamer van Geert Wilders met PVV, VVD, NSC en BBB overeen de door het kabinet beoogde bezuinigingen op het onderwijs te verminderen van 1,9 naar 1,2 miljard euro. Door dit compromis kan de onderwijsbegroting nu ook rekenen op steun in de Eerste Kamer, waar de coalitie geen meerderheid heeft.
Het akkoord kwam tot stand op dezelfde chaotische wijze als meer besluitvorming deze kabinetsperiode (zie ook: asielnoodwet). Onderhandelaars liepen weg en kwamen weer terug – D66 hield het na aanvankelijke deelname aan de gesprekken helemaal voor gezien – en minister van Onderwijs en Wetenschap Eppo Bruins (NSC) was bij de discussie nauwelijks betrokken. Dat gold kennelijk ook voor minister Fleur Agema (PVV, Volksgezondheid) die verbaasd en ontstemd reageerde toen bekend werd dat een gedeelte voor de dekking van de teruggedraaide bezuinigingen was gevonden op haar begroting.
Het is de vraag of deze en de andere ingeboekte besparingen ook daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden, maar los van de wankele financiële dekking valt er ook inhoudelijk veel aan te merken op het compromis tussen de vier oppositiepartijen en de coalitie.
In hun akkoord schrappen zij de voorgenomen langstudeerboete, laten ze de maatschappelijke diensttijd, waarbij jongeren vrijwilligerswerk doen, grotendeels intact, en bezuinigen ze niet op lerarensalarissen. Ook wordt ongeveer de helft van de bezuiniging teruggedraaid op geld dat universiteiten en hogescholen krijgen voor internationale studenten. Zo bereikten ze een typisch Haags compromis, waarin voor elke partij iets zat om bij de eigen achterban mee te pronken.
Tijdens het Kamerdebat donderdag zei CDA-onderwijswoordvoerder Harmen Krul dat het gelukt was „een slechte begroting minder slecht” te maken, maar dat zijn partij niet „de slingers had opgehangen”. Die terughoudendheid is terecht, want ook met een bezuiniging van ‘slechts’ 1,2 miljard euro wordt Nederland geen goede dienst bewezen.
Natuurlijk is het niet zo dat onderwijs er per definitie altijd geld bij moet krijgen, maar fors bezuinigen is het andere uiterste. Uitgaven aan onderwijs en onderzoek zijn, naast die op het gebied van preventie in de gezondheidszorg, zo ongeveer de enige bestedingen van een overheid die in de toekomst geld opleveren in de vorm van economische groei. Het is dan ook onbegrijpelijk dat het kabinet juist kort op deze terreinen.
De bezuinigingen die met dit akkoord overeind blijven, raken vooral de universiteiten hard. De korting van onderzoeksbeurzen voor beginnende wetenschappers bijvoorbeeld staat nog overeind. Los van het feit dat de overheid zich hier onbetrouwbaar toont – de beurzen lopen al – treft deze maatregel jonge onderzoekers die de Nederlandse economie hard nodig heeft.
Caspar van den Berg, voorzitter van het samenwerkingsverband Universiteiten van Nederland, wees er fijntjes op dat in het regeerakkoord 85 keer het woord ‘innovatie’ staat. Woorden zijn goedkoop, blijkt weer eens. Partijen (coalitie én oppositie) die daadwerkelijk van het belang van onderwijs en onderzoek zijn overtuigd, waren met een andere, betere begroting op de proppen gekomen.