Er is iets mis met Yousef Slaoui. Iedere ochtend ontwaakt hij om vijf over vijf, opgeschrikt uit dezelfde droom die hij de nacht tevoren ook had. Of in ieder geval lijkt het altijd dezelfde te zijn. Hij richt zich op, steekt zijn arm uit en grijpt in de duisternis naar het pakje sigaretten. Hij grijpt altijd raak. Het grootste deel van het jaar is er op dit tijdstip niets meer te zien dan het brandende puntje van de sigaret. Een kooltje, een kleine troost voor de nachtelijke narigheid. Na de sigaret grijpt hij nog eens in de duisternis, heeft een mobieltje in de hand. Zijn gezicht verschijnt – een gezicht verfijnd en verweerd tegelijkertijd, met een scherpe neus die boven spottend getuite lippen steekt, ogen die de drek van de mensheid lijken te hebben opgeslokt. Je zou denken: daar zit een blinde man. Maar wat doet een blinde op zijn telefoon? Hij scrolt pagina na pagina af op socialemediaplatforms – je zou kunnen zeggen, neemt ze systematisch door –, typt de namen in van mensen die hij ooit heeft gekend, oude vrienden van wie hij het bestaan geregeld volgt maar die hij, mocht hij ze opeens tegen het lijf lopen, zou passeren als hadden ze nooit een woord met elkaar gewisseld. Nadat hij zijn oude vrienden, inmiddels gedegradeerd tot vage kennissen, in de luwte heeft bespied, belandt hij bij beroemdheden, meestal vrouwen, die brutaal de lens van de camera verleiden als pornosterren. Een grote Egyptische beroemdheid, een buikdanseres van Armeense afkomst met de naam Safinaz, danst, gekleed in de kleuren van de nationale vlag en het lijkt alsof haar kont elektroshocks toegediend krijgt, haar borsten worden omkranst door parels en bellen en ook die bezorgen hem angstaanjagende viscerale stoten. Kijken naar Safinaz is alsof je in een achtbaan door de duisternis tolt.
Maar onder het desbetreffende filmpje staat een recentere video met de titel:
AANHOUDING BEROEMDE EGYPTISCH-ARMEENSE BUIKDANSERES: HET DRAGEN VAN DE EGYPTISCHE VLAG ALS DANSPAKJE IS LASTER
In zijn pyjamabroek, onder de drie dekens waar hij ’s zomers en ’s winters onder slaapt, voelt hij begeerte opkomen die onmiddellijk verpietert onder een enorme hoestbui. Hij vloekt. Het is niet zeker tot wie de scheldwoorden gericht zijn, tot de danseres of tot zichzelf. Een scherpe honger, een die snel oprukt, overmeestert hem. Een die zijn maag tussen zijn lange knokige vingers fijnknijpt. Hij werpt de drie dekens van zich af en loopt op zijn tenen naar de badkamer. Hardnekkige gewoonte uit zijn kindertijd. Daar laat hij de wasbak vollopen, die hij de dag tevoren nog zo grondig heeft schoongemaakt, en begint zich te scheren. Na elke geoefende beweging komt een deel van zijn gezicht onder het scheerschuim tevoorschijn. Het mes scheert over zijn wang: daar is zijn jukbeen, daar is zijn kaak, daar zijn zijn lippen, daar de donkere tabaksstippen tussen bovenlip en neus, daar is de naar voren stekende kin, de adamsappel die het mes behendig ontwijkt.
De gedachte is verleidelijk, hij huivert zonder de beweging te staken. En het is zijn weerzin om toe te geven die hem ervan weerhoudt het mes in zijn ader te planten.
Zijn ontbijt bestaat uit twee spiegeleieren, dobberend in olijfolie, en een koffie met melk en drie scheppen suiker. Terwijl hij ontbijt kijkt hij naar de kleine televisie die hij op de eerste dag van zijn intrek in dit appartement uit nonchalance in een hoek van de keuken heeft gezet en sindsdien niet meer verplaatst. Het ontbijt is op, de televisie blijft aan. Tijdens de reclamespotjes voert hij allerlei huishoudelijke taken uit zoals hij zich deze ooit, toen hij verweesd in de grote stad terechtkwam, had aangeleerd: vluchtig, met een plichtmatigheid die aan totale lethargie grenst.
Omdat hij een man van discipline is (of eigenlijk: omdat discipline hem als een soort koord voor de afgrond behoedt) drinkt hij pas na enen – daarvoor moet hij zich zien te vermaken. Soms gaat hij voor het raam staan dat bijna de gehele muur aan de voorzijde van het appartement in beslag neemt en kijkt uit over het IJ – over de werkzaamheden die hem binnenkort van dit uitzicht zullen beroven. Het is een kleine tweekamerwoning op de vierde etage van een nieuwe flat met aan weerszijden een balkon. Om geld te besparen heeft hij hier en daar laminaat en tapijt opgehaald waardoor zijn vloer een lapjesdeken vormt. Ook zijn meubels zijn grotendeels afdankertjes: het appartement wekt de indruk door iemand te zijn ingericht die duidelijk zijn best heeft gedaan maar heeft gefaald, heel soms als hij binnenloopt, ziet hij dat met lichte gêne opeens ook. Dan denkt hij: dit is het huis van een arme vrijer, en vervolgens denkt hij: maar dat bén ik ook. Op het braakliggende terrein staan graafmachines soms wekenlang onaangeroerd. Soms moet hij zich inhouden om niet achter het stuur te kruipen (en dan wat? Te graven? Voor wie? Voor zichzelf, een ander? Om de infernale roerselen van deze aardkloot te ontdekken?) Hij denkt zoals hij zijn bezittingen betast, zoals hij zijn taken uitvoert.
Vroeger, toen hij nog de wasserette had en het de zaak voor de wind ging, reed hij regelmatig naar een bar in het centrum van Utrecht, waar hij zittend tussen de studenten en de vaste gasten vage vriendschappen sloot. Omdat hij alles bij elkaar verzon berustten die vriendschappen op niets dan leugens, en omdat mensen over het algemeen minder dom zijn dan ze zich voordoen, liet niemand zich echt met hem in. Elke avond zes, zeven, acht dubbele whisky’s naar binnen werken, soms meer, nooit minder, en dan nog een halfuur rijden. De politie hield hem staande voordat hij de kans kreeg iemand plat te rijden. Hij kreeg zijn rijbewijs pas terug op voorwaarde dat hij een cursus volgde. Hier schopte hij zoveel stennis dat ze besloten zijn rijbewijs definitief in te nemen (‘Maar dit is toch een de-mo-cra-tie? Of niet? Of niet?!’ had-ie geschreeuwd. Daarop had een van de politieagenten hem alleen verveeld aangekeken, terwijl de ander een nieuwe boete uitschreef.) Slaoui had recht op een advocaat, zeiden ze, maar hij bracht zijn drankgebruik binnen een straal van twee kilometer van zijn huis en gaf verder geen kik. Voortaan frequenteerde hij een shishabar die gerund werd door een voormalige cabaretdanseres met de naam Jamila, hoewel ze dat verre van was. Eerder het tegengestelde. Wanneer Jamila zich onder haar gelijken waande kwam ze in een spraakzame bui. Dan noemde ze zichzelf een veteraan en dat vond hij meer bij haar passen. Op een avond toen hij iets te diep in het glaasje had gekeken was hij aangeschoven bij een groep mannen, jonge gasten van nog geen dertig, en begonnen over zijn voormalige collega’s en werkzaamheden bij het politiekorps in Casablanca in de jaren zeventig en tachtig – binnen de kortste keren schopte Jamila hem eruit. „Ik heb niets tegen jou en ook niet tegen je soort”, zei ze. „Maar je jaagt mensen de stuipen op het lijf.” Abrupt plantte hij zijn knokkels in haar gezicht. Hij voelde het neusbot kraken, richtte zich nu op haar ribben, kneep het gekrijs weg totdat er niets meer overbleef dan gegorgel. Daarna wikkelde hij haar paardenstaart om zijn vuist en smeet het al roerloze lichaam tegen de muur. Hij liet haar bloedend achter, in elkaar gezakt naast de achterdeur. Ze deed geen aangifte en hij nam zijn dorst definitief mee naar huis.
Niet lang na het incident stuitte hij op Leaving Las Vegas. Nicolas Cage, hopeloos verslaafd, die de dood wordt in begeleid door de zachte handjes van zijn blonde vriendinnetje. Slaoui dacht: die eikel is te zielig voor woorden maar ík stel echt niks voor. Die nacht droomde hij over Jamila die in doorschijnend négligé in de keuken zijn spiegeleitjes stond te bakken.
Bij lekker weer zit hij op het balkon en drinkt. Hij trakteert zichzelf op een goede fles wijn, hij zet de radio aan. Hij neuriet zelfs mee. Voor hem glinstert het IJ, daarachter bruist de stad. De graafmachines zwijgen. Het overzicht op zijn telefoon is een oneindige bron van vermaak. De gesuggereerde advertenties zijn te aanlokkelijk om te laten varen en hij klikt op een paar. Voor de algoritmes is hij een doorsnee zestiger met een liefde voor exotische vakantieoorden en vernuftige, niet al te dure huishoudelijke apparatuur. Eens in de zoveel tijd wint zijn ijdelheid het van zijn kieskeurige alcoholisme en laat hij zich verleiden tot het kopen van een jas, een horloge, een overhemd. Die draagt hij dan weken achtereen om vervolgens terug te leggen in de kast en in zijn oude, vertrouwde kledingstukken te kruipen. De ouderdom verleidt hem tot luiheid waartegen hij moet vechten. Zijn wereld wordt kleiner. Hij weet dat dit, de drank, zijn laatste middel tegen de nederlaag is. Tegen de grillen van de verslaving gebruikt hij de discipline, tegen de armoede de ijdelheid, tegen de eenzaamheid en de verveling de televisie en de sociale platforms.
Zittend op zijn balkon, loom in de zeldzame lentezon, een glas in de ene hand, de telefoon in de andere, gaat de advertentie op zijn beeldscherm eerst aan hem voorbij. Een tentoonstelling? Hij, in een museum? Hoe komen ze daarbij? De rest van de middag ligt hij op de strandstoel in de zon. Hij drinkt. Hij neuriet zelfs een beetje mee met de muziek.
Hij kneep het gekrijs weg totdat er niets meer overbleef dan gegorgel
Slaoui is in Amsterdam gestrand omdat deze stad hem onaangeroerd laat. Hij associeert het noorden van Europa met het purgatorium – ergens tussen hemel en aarde in, tussen paradijs en hel. Een morbide rustoord. Voor hem wordt het land bewoond door bejaarden, geregeerd door goddelozen, en zijn de nationale producten drugs, hoeren en flikkers. Hij kan zich verzoenen met deze plek omdat zijn verblijf van temporele aard is. Maar vooral omdat hij met rust gelaten wordt.
Wanneer hij, getergd door een of andere droom, ontwaakt, is het de grijze stilte die hem troost en weer in slaap wiegt. Het is de onbeladen kalmte, de stedelijke afstandelijkheid. De klok tikt en de brieven ritselen de bussen in.
Het uitzicht vanaf zijn huis is het schilderachtige Centraal Station, de stalen stellages die uit de grijze rivier rijzen. De zon schijnt al vier dagen op rij. Hij begint het drinken op het balkon zat te raken. Hij is rusteloos. Zijn lichaam jeukt, zijn geest begint te dolen richting de overkant van het IJ. Hij wil naar buiten, hij wil mensen opzoeken, hij wil met ze in gesprek. Hij wil ze versieren en met ze naar bed. Hij kleedt zich om, trimt zijn snor en baard, schikt zijn haar. Hij bekijkt zich in de spiegel maar ontwijkt zijn blik. Hij denkt aan een man die hij een keer op televisie of op straat had horen zeggen: elke dag zie ik in mijn reflectie de dood aan het werk. Maar Yousef Slaoui vreest de dood niet. Hij is eerder bang voor wat er van zijn vroegere zelf resteert.
Hij trekt zijn kleren weer uit. Hij doet de gordijnen dicht en zet de muziek op z’n hardst. In zijn ondergoed walst hij door het huis. Hij slaat tegen het meubilair, zwiert van links naar rechts, zijn voetstappen dansen naast de maat – eigenlijk is het zijn muziek niet. Hij is de anti-danser, de ongehoorzaamheid zelve. Hij kleedt zich opnieuw aan, buiten adem. Hij moet weg. Moet weg. Maar waarheen? Bij Jamila kan hij zich niet meer vertonen. Als hij zich daarbinnen waagt loopt het niet goed af.
Wanneer hij buiten staat merkt hij al meteen dat het een stuk frisser is dan hij dacht. Maar hij twijfelt geen moment en begint te lopen. Op de pont wordt hij plotseling overvallen door verlegenheid. Hij is bang dat de mensen kunnen zien hoeveel hij gedronken heeft. Hij veinst nonchalance door tegen de reling te leunen en in het water te kijken. Hij bereikt de Nieuwmarkt, waar hij op een terras het ene biertje na het andere naar binnen werkt. Hij drinkt zichzelf moed in, maar weet niet waarom. De razernij bekruipt hem, maakt hem wanhopig. Hij begint te lopen richting de Zeedijk. Een jolig groepje loopt hem voorbij, valt volledig stil. Dan pas heeft hij door dat hij ze uitscheldt. Zijn razernij wordt almaar groter. Hij heeft het gevoel dat hij in lichterlaaie staat. Hij zegt niets meer, loopt zonder te kijken lukraak straten in en uit. Hij vergeet op te letten, loopt tegen een fietser aan die zo met stomheid is geslagen dat ze zonder iets te zeggen weer op haar fiets stapt en doorrijdt. De wereld tolt, bevriest, grijpt hem bij de lurven, trekt hem richting het trottoir, slingert hem weer overeind.
Yousef Slaoui vreest de dood niet. Hij is eerder bang voor wat er van zijn vroegere zelf resteert
Hij wordt wakker in pis. Gelukkig wel in zijn eigen bed. Hij doucht, slaapt de rest van de dag op de bank. Tegen vieren wordt hij weer wakker. Hij beeft over zijn hele lichaam, hij moet overgeven. Als hij weer bij de bank is ziet hij de zweetvlek die zich over het hele zitvlak heeft verspreid. Hij laat het bad met koud water vollopen, sleept het matras in de tussentijd naar het balkon, kijkt of er niemand langskomt en gooit het zo, vanaf de vierde verdieping, naar beneden. Daarna sleept hij de bank naar het balkon, zet de ramen wijd open. Hij kleedt zich uit, stapt kermend in het ijskoude bad, eerst met het ene been, dan met het andere en laat zich erin zakken.
Een paar weken na de delirante zwerftocht krijgt hij plotseling steken in zijn buik. De pijn begint ’s nachts, maar op den duur heeft hij er de hele dag onophoudelijk last van. De geur van zijn urine is zo sterk dat hij ’s ochtends zijn neus dichtknijpt tegen de stank. Hij neemt contact op met de huisarts die hem doorverwijst naar het ziekenhuis. Bij het laboratorium overhandigt hij een flesje pis aan de baliemedewerker die hem verzoekt plaats te nemen in de wachtruimte. Hij bladert de folders door: een over voetschimmel, een over depressie, een over migraine. Hij legt ze op de tafel naast elkaar alsof hij het verband tussen voetschimmel, depressies en migraine wil ontdekken. Wanneer hij wordt geroepen steekt hij de folders gedachteloos in zijn jaszak. Er wordt bloed bij hem afgenomen. De verpleger die de naald in zijn ader steekt vraagt of hij het eng vindt. Hij zegt een beetje maar blijft naar de buisjes staren terwijl deze vollopen, denkend aan een zwembad gevuld met overtollig mensenbloed waarlangs de verplegers liggen te zonnebaden. Op de terugweg naar huis koopt hij pijnstillers, twee flessen douchegel, shampoo en een extra tube tandpasta. Na de ravage die hij een paar weken terug heeft aangericht heeft hij besloten zichzelf van zijn drankzucht te genezen.
Maar het valt hem zwaarder dan verwacht: de eerste dagen transpireert hij als waren zijn klieren veranderd in lekkende kranen, daarbij is hij misselijk en beeft hij de hele dag door, krijgt het snikheet en dan weer stervenskoud, en dat terwijl hij onbedaarlijk trilt. Tegen de geestelijke en ingewandelijke turbulentie ketent hij zich vast aan een ijzeren routine. Elke ochtend stapt hij kort na vijven uit bed. Hij doucht, hij bakt zijn spiegeleieren en volgt de televisie met halve belangstelling. De gapende leegte die de drank heeft achtergelaten vult hij met urenlang het internet afstruinen. Hij is dermate ontregeld dat hij zich ellendig voelt. Wanhopig zelfs. Het is alsof de anticipatie van de drank en de hierop volgende ontlading voor zo een lange tijd de spil van zijn bestaan zijn geweest dat hij nu in het luchtledige zweeft. Overdag ijsbeert hij van balkon naar woonkamer en weer terug. Het zonlicht doordringt zijn bestaan, de glinsteringen van het IJ worden zo ondraaglijk dat hij de gordijnen sluit. De dag rekt zich uit, en het stedelijke rumoer zwelt dermate aan dat het hem ’s nachts wakker houdt.
Elke vorm van afleiding herinnert hem aan de onlesbare dorst.
Zijn dromen worden tegen zijn verwachtingen in niet rustiger, maar woester, angstaanjagender. Iedere nacht begint de droom op dezelfde manier: hij wandelt door een gangenstelsel, deuren zwaaien open en dicht, en dan ineens stapt hij een kamer in en wordt opgezogen door een centrifuge aan herinneringen, schimmen, moordlustige wezens. Eén keer droomt hij over het dorp waarin hij is opgegroeid, hij ziet een groep mensen rond een put samendrommen, iemand roept dat er een kind in is gevallen. Dat kind, dat is hijzelf. Hij schreeuwt ze toe dat ze hem verdomme een touw moeten toewerpen, hij is roezig en hij krijgt dorst. Hij plonst zijn gezicht in het water, zijn mond open, neemt een slok: het is geen water, het is wijn, hij zwemt in wijn, hij heeft een slok genomen. Plotseling lijkt het alsof zijn ledematen zwaarder worden, hij is het zwemmen niet meer vaardig, hij voelt hoe de alcohol hem lammig maakt, naar beneden trekt.
Slaoui schrikt wakker van het vocht dat al door zijn plasbuis een uitweg zoekt en rent vloekend naar de badkamer, waar hij bezweet en hijgend zijn blaas leegt. Als hij op de klok kijkt is het vijf over vijf.