Kwame Anthony Appiah: The Honor Code. How Moral Revolutions Happen. Norton, 264 blz. € 26,20
Eer staat in een kwade reuk. Het wordt al snel geassocieerd met achterhaalde adellijke aanstellerij, of met achterlijke gebruiken uit tribale culturen, zoals eerwraak. Tegelijkertijd is er wel behoefte aan beroepseer, zoals de titel luidde van een boek dat de filosoof Ad Verbrugge ooit samenstelde over het moderne arbeidsethos.
In The Honor Code breekt de Ghanese filosoof Kwame Anthony Appiah, verbonden aan de universiteit van Princeton, een lans voor het begrip eer, en voor het morele potentieel van erecodes. Eergevoel is geen residu van pre-moderne achterlijkheid, meent hij. Integendeel: eer hangt samen met respect en erkenning van menselijke waardigheid. Dat zit al in het Platoonse begrip thymos, de menselijke wil tot erkenning en respect. Maar tegenwoordig lijkt het vooral te vinden in het agressieve ‘respect’ dat de gangsta-cultuur opeist, als pars pro toto voor een lichtgeraakte samenleving. Appiah ziet dat ook, maar wil het kind niet met badwater weggooien. Eer blijft van belang, als scharnier voor morele hervormingen.
Aan de hand van een aantal historische episodes laat Appiah, die naam maakte met Cosmopolitanism (2006), zien hoe immorele praktijken als de trans-Atlantische slavenhandel en het afbinden van vrouwenvoeten niet werden hervormd door opvattingen omtrent eer en eervol gedrag uit te schakelen, maar juist door die opnieuw te activeren en te hechten aan andere, moreel wel acceptabele gedragsvormen. Zoals Chinese ouders het lang oneervol vonden voeten van meisjes niet af te binden, zo werd het in de vroege 20ste eeuw oneervol dat wél te doen.
Appiah is een subtiele analyticus van dit soort morele processen, en vooral de Chinese episode (‘Freeing Chinese Feet’) in zijn nieuwe boek is instructief. Het einde van die praktijk kwam, toen intellectuelen en nationalisten zich eind 19de eeuw, onder druk van Europese missionarissen in het land, zorgen begonnen te maken om het aanzien van hun land in de moderne wereld. Voeten afbinden veranderde van statussymbool in een aantasting van de collectieve eer, een nationale schande, waarmee China zich te kijk zette voor de rest van de wereld. Dat gevoel werd aangejaagd door een coalitie van vrouwenorganisaties, hervormers en nationalisten.
Tegelijk gaf een andere, opkomende Aziatische natie als Japan het voorbeeld van een samenleving die vrouwelijke kuisheid en fatsoen wist te waarborgen zonder haar toevlucht te nemen tot zo’n verminkende praktijk. Het kon dus ook anders. Chinese nationalisten wezen er bovendien op dat het grote afbinden pas op gang was gekomen rond het jaar 1000, zo’n vijftienhonderd jaar na de dood van Confucius. Er was dus ruim voldoende Chinese traditie om op terug te vallen zónder deze gewoonte.
Toen ging het snel. De Chinese elite gaf de praktijk op, het volk volgde. Rond 1900 daalde het percentage vrouwen met afgebonden voeten in een conservatief gebied ten zuiden van Peking van bijna honderd naar bijna nul. In 1902 vaardigde het keizerlijk paleis een oekaze uit waarin het afbinden sterk werd afgeraden, een algeheel verbod volgde in 1911.
Bewegingsvrijheid
Appiah maakt dan een paar sterke punten. Allereerst: het verdwijnen van dit gebruik was niet het gevolg van nieuwe morele argumenten, maar van veranderende maatschappelijke omstandigheden. De morele argumenten tegen de praktijk waren al eeuwen bekend: die was pijnlijk, ongezond, verminkte vrouwen voor het leven en beperkte bewegingsvrijheid. Zulke argumenten legden alleen nooit genoeg gewicht in de schaal. Sterker nog, het beperken van vrouwelijke bewegingsvrijheid was nu juist het doel van de hele operatie: vrouwen met afgebonden voeten gaven te kennen dat ze niet op het land hoefden te werken (status) en dat hun echtgenoten niet bang hoefden te zijn dat ze buiten ‘op stap zouden gaan’ (patriarchale controle).
De Chinezen werden dus niet geplaagd door een tekort aan morele kennis, zoals Europese imperialisten meenden, maar onderhielden een erecode die zich had gehecht aan een versteende, hiërarchische en patriarchale samenlevingsvorm. Toen die eenmaal begon te wankelen, paste de erecode zich aan: voortaan was de nationale eer juist gediend met het niet meer afbinden van vrouwenvoeten. Chinese nationale eer bleef centraal staan. Dat het einde van de praktijk ook een verbetering betekende in het lot van vrouwen, was niet het hoogste doel van de beweging, eerder mooi meegenomen.
Een vergelijkbare ontwikkeling volgde het Britse debat over de slavenhandel in de tweede helft van de 18de eeuw. Ook hier was niet zozeer sprake van nieuwe morele argumenten, aldus Appiah, maar van een nieuwe maatschappelijke orde, die een oude erecode obsoleet maakte. Cruciaal daarin was de opkomst van de industriesteden en van een arbeidersklasse die zich ging organiseren in vakbonden. Voor die nieuwe klasse, die het moest hebben van loonarbeid, was slavernij een ‘ontering’ van dezelfde arbeid die hen nu juist status en zelfrespect gaf. Het instituut slavernij druiste in tegen de waardigheid van menselijke arbeid, een sleutelbegrip in de nieuwe, industriële samenleving.
Een derde voorbeeld. Het adellijke duel stierf in Engeland rond diezelfde tijd een stille dood, omdat het in de populaire pers belachelijk werd gemaakt als een archaïsch gebruik dat haaks stond op de justitiële en politietaken van de moderne staat. In de moderne samenleving ondergroef het juist de eervolle status die Britse gentlemen ermee wilden hooghouden. Het maakte hen tot object van hoon en spot. Toen was het snel gedaan met de praktijk, net als met de afgebonden vrouwenvoeten in China.
Appiah meent dat uit deze gevallen ook lessen te trekken zijn voor actuele kwesties. Hij gaat uitvoerig in op de situatie van vrouwen in Pakistan, waar volgens conservatieve cijfers in een (willekeurig) jaar 1.261 vrouwen het slachtoffer werden van eerwraak. Ze werden vermoord wegens (vermeende) ontrouw of ongehoorzaamheid, of simpelweg omdat de schoonfamilie van hen af wilde. Appiah reconstrueert het gruwelijke verhaal van Samia Sarwar, die een gewelddadig huwelijk ontvluchtte om ten slotte in opdracht van haar eigen ouders te worden vermoord. De zaak baarde groot nationaal opzien, maar leidde niet tot een veroordeling.
Overigens kwam zulke eerwraak nog niet zo lang geleden ook voor in niet-islamitische landen dichtbij huis. Appiah begint zijn hoofdstuk ‘Wars Against Women’ met een verwijzing naar het Italiaanse gebruik van matrimonio riparatore, Daarbij werd een verkrachter niet door de autoriteiten vervolgd of bestraft als hij maar beloofde zijn slachtoffer ‘netjes’ te trouwen. De eer van de familie van de verkrachte vrouw was dan in elk geval gered. Het betreffende wetsartikel werd uiteindelijk in 1981 geschrapt.
Appiah wijst erop dat eerwraak ook in de islamitische wetgeving van Pakistan is verboden, een verbod dat in de praktijk niet wordt nageleefd. Een eerste stap zou volgens hem daarom moeten zijn: eergevoel inzetten tegen eerwraak. De islam verbiedt het immers, en mannen die hun vrouw of dochter vermoorden moeten dus worden gestigmatiseerd als slechte moslims.
Dat is een goed punt. Succes in de strijd voor vrouwenrechten in Pakistan kan wel eens meer gediend kan zijn door de islam in te zetten tegen patriarchale excessen dan door de islam te blijven verketteren (en Pakistaanse vrouwen dus ook hun religieuze zelfrespect te ontnemen). Simpelweg herhalen dat eerwraak immoreel is helpt ook niet. Maar het wordt iets anders wanneer eerwraak nationaal en internationaal schande brengt over een dader, diens groep of land. ‘Eerwraak zal alleen stoppen als die wordt gezien als oneervol’, concludeert Appiah.
Een dergelijke ‘schandecampagne’, waarvoor vrouwenorganisaties zich inzetten, lijkt realistischer dan wachten op het moment dat de islamcritici aller landen zich verenigen om de vrouwen van Pakistan gewapenderhand te bevrijden. Maar het kan natuurlijk niet de enige stap zijn: ook overheden, ngo’s en andere internationale organisaties moeten helpen eerwraak tot een nationale schandvlek te maken.
Erkenningsidee
En dan nog: de afschaffing van slavernij en het afbinden van voeten waren effecten van ingrijpende maatschappelijke veranderingen, die dergelijke morele hervormingen stimuleerden. Maar de koers van de Pakistaanse samenleving is op dit moment nu juist weinig hoopgevend: politieke instabiliteit en een oprukkende extremistische islam voeren daar eerder de boventoon dan de rechtstaat en gematigde, liberale islam die Appiah voorstaat. Om de vrouwen van Pakistan te helpen, zal dan ook eerst en vooral de rechtstaat daar moeten worden gestut.
Appiah’s fijne neus voor de sociale factoren achter morele vooruitgang kan ook niet verhullen dat het uiteindelijk gaat om een idee, namelijk het idee van menselijke gelijkwaardigheid, de principiële (niet empirische) gelijkheid van ieder individu dat tot de menselijke soort behoort. Dat idee, zo aanstootgevend voor de aristocratische of fundamentalistische sensibiliteit, brengt met zich mee dat iedereen, man of vrouw, wit of zwart, arbeider of kapitalist, recht heeft op erkenning van zijn menselijkheid.
Dat ‘erkenningsrespect’ is een modern idee, en het is iets anders dan het ‘waarderingsrespect’ waar de Homerische helden naar streefden: respect op grond van prestaties en verdiensten. Het verschil is dat iedereen, op basis van zijn menselijkheid, aanspraak kan maken op het eerste. Ook dat gaat niet vanzelf, zoals Appiah laat zien. Maar het is iets anders dan het respect dat de straatcultuur van gangsters en bluffers opeist. Dat komt, pervers genoeg, dichter in de buurt van de Homerische helden.