Terug naar de krant

Om heilig te zijn in de grote stad mag je soms het tegenovergestelde doen van wat de stad van je verlangt

column Raoul de Jong
Leeslijst

Om zes uur ’s ochtends ging de wekker in mijn studio op de bovenste verdieping van een flat in Rotterdam. Het plan was om meteen achter de computer te kruipen en alles af te krijgen waarmee ik eigenlijk al te laat was, maar het was nog donker buiten en het eerste wat ik zag nadat ik het licht aanknipte in de woonkamer, was een boek dat ik cadeau had gekregen van een vriend: Hard to Be a Saint in the City.

Het gaat over de pogingen die Allen Ginsberg, Jack Kerouac, William S. Burroughs en andere schrijvers van de beatgeneration in de jaren vijftig ondernamen, om midden in de gekte van de grote stad te leven als een monnik. Ik had het boek in mijn vensterbank gezet, uitkijkend over de skyline, als herinnering aan mezelf: om heilig te zijn in de grote stad mag je soms het tegenovergestelde doen van wat de stad van je verlangt. Dus liet ik de computer dicht, sloeg een deken om me heen, stapte mijn balkon op, sloot mijn ogen en deed wat mijn grote goede schrijvende voorgangers zeventig jaar eerder ook hadden gedaan op hun balkonnetjes: gewoon zitten, nergens aan denken, samensmelten met de Grootsheid van het Alles etcetera etcetera blablabla.

Natuurlijk was het eerste wat ik voor me zag het hoofd van P. Diddy. NIET DENKEN AAN DE FREAK-OFF PARTIES!, dacht ik. Trump en Wilders passeerden de revue. Ik dacht aan alle e-mails die ik nog moest beantwoorden, de afwas, de Belastingdienst, vroeg me af of ik niet hoognodig iets op Instagram moest plaatsen en besefte toen dat ik om een of andere onverklaarbare reden had gedroomd over Heidi Klum: dat ze op toer ging met de supermodels uit de nineties, onder leiding van trendwatcher Lidewij Edelkoort. Ga weg Heidi Klum, zei ik in mijn hoofd en toen voelde ik de koude lucht, die via mijn neusvleugels mijn lichaam binnenstroomde. Ik hoorde een heipaal in de verte, en kwetterende vogels. Wie weet welke soort, een soort die had besloten om ook in de winter in Nederland te blijven.

Allemaal in hun eigen appartementen, maar onderdeel van dezelfde bijenkorf

Ik dacht aan de honderdtachtig mensen op de tien verdiepingen onder mijn voeten, die nu ongeveer hetzelfde deden als ik: wakker worden. De kale man met het manke been. De blonde vrouw met opgespoten lippen. De Ierse hipsters. Het Colombiaanse gezin. De strenge Rotterdamse die soms boze briefjes achterlaat in de lift. Ik zag hoe ze hun ogen openden, in het gezicht keken van degene naast wie ze de afgelopen twintig jaar ook wakker waren geworden, in ditzelfde appartement. Hoe ze zich nog een keer omdraaiden, de wekker op snooze zetten, onder de douche stapten, muesli in een kommetje deden, boterhammen smeerden voor hun kinderen. Ik zag hoeveel ze op dit moment op elkaar leken: allemaal een beetje beurs, een beetje beduusd, en toch vastbesloten om ook vandaag weer hun best te doen om er het beste van te maken. Allemaal in hun eigen appartementen, maar onderdeel van dezelfde bijenkorf.

Toen ik mijn ogen weer opende was het licht. De stad was bedekt door een laagje mist. In de verte knipperde het videoscherm van het winkelcentrum. Onder onze flat denderde de metro langs. Uit het appartement van mijn buurman klonk ‘Albatross’ van Fleetwood Mac. En boven mijn hoofd vloog een groep meeuwen, in cirkels door de lucht, bezig met hun meeuwendingen.

Een versie van dit artikel verscheen ook in de krant van 7 december 2024.

Mail de redactie

Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?

U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.

Maximaal 120 woorden a.u.b.
Vul je naam in