Terug naar de krant

Het is Joost Oomen gelukt: een lichte en vrolijke roman schrijven over euthanasie

recensie

Joost Oomen Mag een leven ophouden als het voltooid is? Ook bij de levenslustigste schrijver van nu, de Remco Campert van deze tijd, kan het lichte niet zonder donkerte.

Leeslijst

Het beste verhaal stopt precies op het juiste moment. Niet te vroeg, want dan is het in de knop gebroken of onvoldragen, maar ook niet te laat – want dan gaat het zich herhalen, dan ga je de gebreken zien, treedt de verveling in, of de aftakeling. Op tijd ophouden dus, niet nodeloos rekken.

Daar zal iedereen die weleens een verhaal heeft verteld (of gehoord) het mee eens zijn, maar niet elke euthanasiearts. Die mag en zal het verhaal pas uitblazen als er sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden, dus als de ellende alsnog losgebarsten is. Niet als het leven gewoon voltooid voelt, er geen bladzijde meer bij hoeft.

‘Ik wil niet dat u pas met uw spuiten komt wanneer die wereld zich met al zijn messen en doornen en prikkers tegen mij heeft gekeerd. Wanneer ik huilend van de pijn of kwijlend van de dementie op de grond lig’, zegt Gerrit Blauw uiteindelijk, in de roman Het paradijs van slapen. Zijn verhaal, dat het grootste deel van de roman inneemt, is juist een gelúkkig verhaal, en daarmee een hartgrondig pleidooi voor euthanasie bij een voltooid leven. Maar in de roman staat daar ook het verhaal van euthanasiearts Theo Engel naast – en die ziet hem liever leven. Euthanasieartsen ‘zijn er om mensen uit het lijden te verlossen, niet om ze dood te maken om het doodmaken’.

Het steekt niet simpel in elkaar en het onderwerp is allesbehalve lichte kost, en toch is dit de tweede roman van misschien wel de levenslustigste en energiekste schrijver, dichter en theatermaker van dit moment: Joost Oomen. Zijn werk draait om geluk, om schoonheid en uitgelatenheid – maar alleen maar lolligheid is natuurlijk geen verhaal. In zijn vrolijke, sprookjesachtige debuutroman Het Perenlied (2020) werkte gemis als de contrastvloeistof om geluk te tonen. En zijn reisverslag Visjes (2022) was een klein avontuur op een onooglijk eiland, een zoektocht naar iets moois terwijl in de rest van de wereld Covid woedde. Geen licht zonder donker.

Onderwaterlammetje

En in ‘licht’ is Joost Oomen de beste, ook in zijn nieuwe roman. Hij laat Gerrit, als ik-verteller, zijn leven navertellen. En omdat die zijn leven lang ‘met mooie dingen bezig geweest’ is, is dat een gloedvol melancholisch verhaal, waarin de verteller alle zeilen bijzet om die mooie dingen ook echt mooi te laten voelen. Zoals de eerste keer dat hij zijn grote liefde Saartje Schaap ontmoette: in een donker Fries weiland, achter een border vol ‘in het maanlicht grijze aardbeienplantjes’, tijdens verstoppertje met een groep vrienden, waar zij beweegt als een ‘onderwaterlammetje’ en over een drooggevallen sloot springt, zo ‘soepel als een giraf van boterhamzakjes’.

Die beelden doen denken aan de geëxalteerdheid van Het Perenlied, maar ze zijn secuur(der) gedoseerd en ze pássen, als blinkende diamantjes in de melancholische modder van het leven. Oomens metaforen overtuigen omdat ze ver blijven van het cliché, zo ver dat je je echt een onderwaterlammetje en een giraf van boterhamzakjes gaat voorstellen en Saartje Schaap daarna anders ziet bewegen. En zo ga je als lezer met Gerrit mee in het oproepen van de herinnering, het creëren bijna – en zo slaat het bijbehorende gevoel vanzelf op je over. Zie ook dit: een omvallend biertje ‘huilde langzaam een donkere, natte vlek in het beton’, of: dekens die ‘al tweeënhalve week als een dunne bokser op de vloer’ liggen. En zie deze drie bedden in een kliniek: ‘Op eentje lagen de dekens op een propje, eentje was al afgehaald. In de derde lag Saartje, een propje en afgehaald tegelijk.’

Saartje ligt daar voor een abortus – geen sinecure, zeker niet in de jaren zeventig waarin dit zich afspeelt – en al helemaal niet omdat de verwekker is afgehaakt; Saartje viel voor Gerrits beste vriend, de stoere Douwe (zie ook Gerrits lankmoedigheid: ‘Ze waren een mooi stel als Saartje op zijn knie zat en met haar oogpotlood een ankertje op zijn wang tekende, ik vond dat ook. Ik weet ook niet hoe ik dat deed, hoe het kon dat ik niet opbrandde van jaloezie’). Maar goeiige Gerrit begeleidt haar naar de kliniek.

Gerrit is geen winnaar in het leven, maar wel een dichter – en dat maakt veel goed. Joost Oomen is een schrijver die zijn personages laat huilen om een dode hommel op de vensterbank. Hij plaatst zijn personages op een ijzig en verlaten perron, maar laat hen, als een Remco Campert van onze tijd, dan óók hun blik richten op ‘een wit weiland met zwarte hazenpootafdrukken erin’. Ontroerend is die opmerkzaamheid voor mooie dingen, steeds weer, terwijl je voelt dat het voor de personages ook een bijna manische methode is om verdriet te verdrukken. Dat kan misschien niet goed blijven gaan, denk je, als er in een inventieve verhaallijn nóg een giraf ten tonele verschijnt. Daar stelt Oomen de geloofwaardigheid even op de proef, wordt het misschien iets te veel een sprookje – ook mooi, maar de ware kracht van Het paradijs van slapen zit juist in de levensechtheid.

Engel des doods

Maar: tel alles op en trek de ellende ervan af en aan het eind van de som blijft toch het geluk over. Dat is Joost Oomen dus gelukt: een lichte, vrolijke roman schrijven over euthanasie, die het leven viert dat mooi is geweest. En als het levensverhaal van Gerrit Blauw verteld is, dertig bladzijden voor het einde, hoop je eigenlijk ook dat dat het moment is dat deze roman stopt. Het is mooi geweest.

Maar nee, het moet nog iets langer, want zo werkt het niet, het leven. Daar zou dan nog een engel des doods, of een euthanasiearts, aan te pas moeten komen – en in Gerrits geval een wetsovertreding, want euthanasie bij een voltooid leven mag domweg niet.

Gerrits levensverhaal werd in Het paradijs van slapen al vaker doorsneden met scènes uit Theo’s leven als euthanasiearts. Taferelen van lijdende ouderen die hij kwam verlossen, waar je toch een dubbel gevoel aan overhield. Want dat voelde Theo ook, almaar meer: ‘Elke maand meerdere mensen omleggen heeft weinig met beter maken te maken’, noteert hij, hard. ‘Je blijft altijd met een vaag gevoel van schuld achter’, schrijft hij. Hij raakt enerzijds steeds meer overtuigd van het gevoel dat hij mensen wil behoeden voor de lijdensweg aan het einde – bij monde van Gerrit schrijft Oomen indringende en in hun beknoptheid verrassend diepgaande bespiegelingen over eenzaamheid. Maar zijn rol knaagt aan hem. Dat hij telkens iets jat uit het huis van de pas overledene, begint steeds meer op zelfdestructie te lijken. Waar is Theo op uit? Kan hij het wel aan? Kan iemand de verantwoordelijkheid voor het levenseinde van een ander ooit écht aan? Of is zijn gewetensnood te wijten aan de geldende wetten en afspraken?

Lees ook
Joost Oomen: ‘Als je schoonheid kunt zien wordt alles krachtig’
Joost Oomen: ‘Als je schoonheid kunt zien wordt alles krachtig’

Op de valreep compliceert Oomen zijn verhaal nog flink, met Theo’s worsteling, met die vragen, met een ontknoping die eenduidiger lijkt dan hij is . Zo wordt Het paradijs van slapen, dat in zijn geluksbehoefte duidelijk stelling lijkt te nemen, toch ook nog meer dan een pleidooi. Namelijk iets waar onvermoede kanten aan zitten, iets om op te kauwen. En dan blijft het zoet weliswaar overheersen, maar zonder bitterheid zou dat laf geworden zijn. Het echte verhaal is bitterzoet.

Een versie van dit artikel verscheen ook in de krant van 6 december 2024.

Mail de redactie

Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?

U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.

Maximaal 120 woorden a.u.b.
Vul je naam in