Het zaaltje is intiemer dan ik had verwacht. Warmgeel licht, vijf rijen klapstoeltjes, en een podiumpje met paarse gordijnen eromheen. Leuk! Mijn dochter herkent direct een paar andere kinderen uit haar orkest. Ze rent naar hen toe, haar fluit in haar kleine knuist. Het is de eerste keer dat ze een uitvoering heeft, en hoewel ze overal bang voor is, wil ze tot onze verbazing deze avond maar niet spannend vinden.
Stefan is bij de jassen achtergebleven met een vader die hij kent van het schoolplein. Ze leken allebei opgelucht elkaar hier tegen te komen. Samen praten beschermt hen tegen verdere interactie.
Ik installeer me vast op een van de klapstoelen en leg mijn tas op het stoeltje naast me, voor Stefan. M’n dochter zoekt me en ik zwaai naar haar. „Toi toi!”
„Kim!”
Een vagelijk bekende stem, veel verrassing erin. Ik kijk om in een kort moment van desoriëntatie Een lange man staat me aan te kijken. „Danny?” Hij heeft een jongetje bij zich, niet veel ouder dan mijn eigen dochter.
„Hij speelt hier saxofoon”, zegt Danny stralend.
„Wat leuk”, zeg ik, half tegen hem en half tegen het kind. Ik sta op en wijs naar het podium. „Dat meisje in die groene glitterjurk hoort bij mij.”
We omhelzen elkaar. Danny klopt me op de rug. „Zo lang geleden!”
We rekenen terug, komen bij mijn housewarming uit. Zo’n achttien jaar geleden. Waar was ik toen heen verhuisd? O, ja, die hoge flat, waar ik een jaar in onderhuur heb gezeten. Enfin, doet er niet toe. „Woon jij ook in deze buurt?”
‘Nog’ is het sleutelwoord hier. Dat stiekeme nagaan wat er nog over is van toen
Al pratend kijken we elkaar aan, zoekend naar iets herkenbaars, en ik ben me bewust van wat ik aan heb, saaie donkerblauwe kleren, roze lippen. Danny’s kleren zijn ook saai, maar zijn haar zit goed, jongensachtig, nog niet kaal.
‘Nog’ is het sleutelwoord hier. Dat stiekeme nagaan wat er nog over is van toen. Dat is wat je doet als je iemand tegenkomt met wie je hebt gedanst, gedronken en gekotst en clips hebt gekeken op een vettige bank in de studentenkeuken. „Ga jij je vrienden maar opzoeken”, zegt Danny tegen zijn zoontje. Maar die blijft staan en trekt aan zijn arm. Danny zakt door z’n knieën, zodat het kind hem iets in het oor kan fluisteren.
„Goed, ik loop even met je mee.”
„Zo terug!” Hij grijnst naar me. Ik leg mijn tas een stoel verder en schuif een plaatsje op. Waar kijk je naar als je wil weten of het er nog is? Hoelang het duurt voordat je een leuk gesprek hebt? Stijl? Twinkel in de blik? Iets onaangepasts? Sexiness?
„Je bent niks veranderd”, zegt Danny als hij weer terug is. Het is bedoeld als een compliment, maar het klinkt toch ook een beetje vragend.
„Moeten we nóg een stoel vrijhouden?”
„Nee”, lacht Danny. „Mijn vriendin is thuis bij onze jongste zoon.” En dan in een adem door: „Nadal is gestopt, hè. Hoe vond je die laatste wedstrijd, bij de Davis Cup?” Zijn stem trilt van alle dingen die hij te zeggen heeft. „Het enige goeie eraan was dat het een Nederlander was van wie hij verloor. Maar wat had ik hem graag zien winnen!”
Tennis. Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst een hele wedstrijd zag. Ja, Nadal is gestopt, dat had ik ook gelezen. In mijn hoofd poppen onmiddellijk beelden op van zijn natte haren, zijn zweetband, zijn tranen. Ik kan zo z’n tics nadoen. Hoeveel matches hebben we niet gekeken? Al die grote toernooien, op een of andere manier vielen ze altijd in de tentamentijd.
Hoe waren we in achttien jaar vanachter die tv vandaan naar hier gekomen, in een zaaltje waar onze kinderen een zestal Christmas Carols gaan spelen?
„Wat een carrière, hè.”
Ik kijk opzij naar hoe Danny al pratend zijn jas uittrekt. Bewegingen van de ziel worden zichtbaar in de bewegingen van het lichaam. Hij nestelt zich op het stoeltje, als was het de bank van waaruit we toekeken hoe Nadal zichzelf omhoog stuwde.
„Goed je te zien.”
Ik glimlach en ik knik. „Zie je Han nog? En Judith?”
„Han zit in Australië. Judith, geen idee. Judith, ja. Ik moet ineens denken aan wat ze zei over duiven. Weet je nog? Poepen ze op je, dan moet je gauw een lot kopen.”
„Zei ze dat?
Daar komt Stefan met de andere vader in zijn kielzog. Ik wenk hem. „Dit is Danny, uit mijn studentenhuis, honderd jaar geleden.”
Is het er nog, vraag ik me af? Hangt het nog om me heen, in homeopatische verdunning? Danny suggereerde net van wel, en het is prettig het te geloven. Maar serieus?
O, ze gaan beginnen. Sssst. Welkom iedereen. Goedhartige woorden van een mevrouw in een vuurrood jasje.
Maar serieus? Het? Dat wat gevoeld wordt, maar niet te lokaliseren is, als sfeer.
„Ik wil niet stoppen met spelen, maar mijn lichaam zegt wat anders.” Met die woorden kwam Nadal zijn goddelijke troon af en werd hij weer een gewone sterveling. Vanaf nu nooit meer op zijn best. De belofte al helemaal vervuld. Wat moet je dan nog? De tijd doden?
/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data125829161-e3c153.jpg|https://images.nrc.nl/vCu7cc1ngbZcohu8kMCEgECkbQU=/1920x/filters:no_upscale()/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data125829161-e3c153.jpg|https://images.nrc.nl/_bYxtrhiywyt4nN-I4hPnn7ceMM=/5760x/filters:no_upscale()/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data125829161-e3c153.jpg)
Danny was hem gewoon blijven volgen. Hij, met nota bene twéé jonge kinderen, heeft kans gezien om die eindeloze tennispartijen te blijven kijken. Hij is een man. Ik ken geen enkele moeder die zoveel tijd over heeft. Hij kon dezelfde blijven, terwijl wij vrouwen al die dingen doen waar zelfs God te moe van wordt.
Tijd opent zijn vitrages: daar ligt Danny met zijn hoofd in Judiths schoot, gezicht naar de hemel. Han die met een bivakmuts op de keukenmuur staat te sausen, swingend, alsof hij op de dansvloer is. Wake me up, before you go-go. Han met zijn heftige geest had donkerpaars gekozen. Leeggegeten borden op de vloer. Judith die dreads maakt in mijn haar. Ik kan haar koele, droge vingers voelen.
O, die heerlijke jaren waarin je voor het eerst met jezelf was, niet meer hoefde te doen wat je ouders zeiden. Alleen leeftijdgenoten om je heen. Geen werk. Elke dag de kans dat er iets prachtigs zou gebeuren. Uitgelaten. Benen in de lucht.
En je wereld die met de dag groter werd. Alles voor studententarief. Voortdurend nieuwe passies, snel weer ingeruild voor betere. Leven om te leven, zonder de behoefte het te rechtvaardigen.
We wilden nog nergens naartoe, we waren alleen maar overal voor in. We wilden nog niets bereiken. We waren er al, uitgetild boven alle benepenheid. Niemand was slachtoffer. Alleen geïnteresseerd en nieuwsgierig. Als het leven fantastisch is heb je geen interesse in verleden of toekomst.
De keer dat we na het eten bleven praten tot het zo donker was dat we elkaar alleen als vage spoken konden onderscheiden en we tóch het licht uitlieten.
De keer dat we een gevonden verkeersbord meezeulden, waarom ook weer? Slappe lach. Met z’n drieën op één fiets.
‘What Child Is This?’ wordt ingezet. Verdienstelijk, zeg je dan. Kijk nou, dat lieve gezichtje, zo aandachtig. Ik pak mijn telefoon en maak een foto. Van alle zelfopgelegde beperkingen is het moederschap wel het ingrijpendst. Elke keuze die ik maak. Mensen van veertig vonden we toen stokoud. ‘Men of Old’. Telefoons alleen nog om mee te bellen. Onze kinderen die niet anders weten dan dat de wereld oneindig en digitaal is. Die zich later, omdat de tijden zijn veranderd, nooit zo vrij en in het moment zullen voelen als wij toen. Tot welke leeftijd hebben ze nog dat onbezorgde?
De keer dat we, omdat Danny een Chinese oom heeft, belandden op een Chinees feest waar we ons volpropten met geelroze ballen, en eindeloos drinkspelletjes deden. En daarna lopend naar huis, de hele stille stad door. Ineens verlang ik er ontzettend naar op een Chinees feest te zijn. Hoe Chineser hoe beter.
Dan spreek ik mezelf toe. Je weet best, nostalgie vergeet de monsterlijke sausvlek die op mijn mooie blouse zat, toen het licht weer aanging. Ik kon hem weggooien. Nostalgie laat de beste vriend van Judith weg, met zijn donkere baard, zijn rotgrapjes, en zijn algemeen bekende hekel aan Han. En dan die trut met wie hij een tijdje was, die ondanks haar intelligentie zo met haar kont draaide. Danny die de melk opdronk en daarna het pak op de grond liet vallen.
Mijn innerlijke stem klinkt nu gehaast, en ook een tikje dreigend. Nostalgie vergeet de wanhoop van ’s avonds in je eentje op je bed zitten, terwijl de anderen de hort op zijn. Ik voel dat ik rood word.
Hela! Ineens zijn alle lampen uit. Waar zijn we? Egyptische duisternis. De kinderen stoppen met spelen, de laatste paar noten los in de lucht. M’n dochter! „Ik moet naar haar toe”, zegt Stefan. „Ze is panisch in het donker.” Hij licht zichzelf bij met zijn telefoon en staat op. Ik draai mijn knieën, laat hem erlangs. Geschuif, geroezemoes. „De stoppen”, zegt iemand. „De Russen”, zegt een ander. Ik voel Danny glimlachen. Schuin voor ons houdt iemand een rood fietslampje op. Wat een goed moment voor een hand op een knie. De stem van de vrouw die welkom heette. We verzoeken jullie rustig te blijven zitten.
Ikzelf omarm het donker. Werkelijke angst gaat over dingen waar je geen lamp op wil
Stefan is terug. „Ze is oké”, zegt hij. Af en toe kan ik haar zien in de bleke schijnsels die over de paarse gordijnen vegen en haar gezichtje schampen. Ze lijkt inderdaad niet in paniek.
Ikzelf omarm het donker. Werkelijke angst gaat over dingen waar je geen lamp op wil.
Ook toen was je niet het type dat op een feestje werd gemist. Niet het type voor wie de mannen hun buik introkken. Oké, sommige mannen misschien. Een paar. En dat heerlijke fantaseren over alles wat nieuw was: de praktijk was meestal modderig. Je bleek niet de slimste van de werkgroep, je werd de stilste. En je was toen nog zo blind, zo blind.
Danny, zak, wat moet je? Het was lekker. Zeker. Maar nu is het op. Ik kan niet geloven dat ik het ben die dat denkt.
De jonge dirigent zegt ook iets. „Ik stel voor dat we even wachten.”
„Speel maar gewoon door”, roept een vader luid. „Als iedereen zijn eigen kind bijlicht, kunnen ze de muziek wel lezen. Ik zet mijn lamp wel op jou.” Zijn kolossale stem overtuigt. Hij krijgt bijval. De dirigent vindt het best.
„Zal ík nu gaan?”, bied ik Stefan aan. „Hoeveel batterij heb jij nog?” Met Stefans telefoon in mijn hand loop ik naar voren. Ik kan niet zien hoe het eruitziet vanaf de klapstoeltjes, maar ik kan me er een voorstelling van maken.
„Dit is leuk”, fluister ik in mijn dochters oor. „Dit vergeet je nooit meer.”