Sophy Roberts (48) is al haar hele volwassen leven zo’n vier maanden per jaar op pad. De coronamaatregelen die grote en kleine reizen twee jaar lang moeilijk of onmogelijk maakten, waren voor de Engelse reisschrijver een kwelling. Ineens was ze voortdurend thuis, in Dorset, waar ze woont met haar man, een klimmer die met zijn bedrijf Firepot instantmaaltijden maakt voor wandelingen en expedities, hun twee zoons van veertien en zeventien, twee wolvarkens, kippen, ganzen, een kat, twee honden en duizend boeken – „in een huis dat constant in een staat van chaos verkeert”.
Iedere Brit die wel eens een safari heeft overwogen, of een verblijf aan stille, beenderwitte stranden aan een saffieren zee, kent haar naam. Lange tijd schreef Roberts vooral over exotische eco-resorts, met helikopters ondersteunde woestijntrektochten, op maat gesneden safari’s – reizen voor de verwende reiziger, kortom – voor onder meer Condé Nast Traveller, de Financial Times en The Wall Street Journal.
Inmiddels is Roberts ook bekend buiten het Verenigd Koninkrijk. In 2020, vlak voor de pandemie, verscheen haar eerste boek, De verdwenen piano’s van Siberië. Het werd in dertien talen vertaald – de Nederlandse versie verscheen vorig jaar – en in minstens zoveel talen goed besproken. Ze reisde voor het boek door Siberië op zoek naar een goede, oude piano voor de Mongoolse pianiste Odgerel Sampilnorov.
Roberts had haar in 2015 leren kennen tijdens een bezoek aan een gemeenschappelijke Duitse vriend in Mongolië, Christoph Giercke, die er eerder voor had gezorgd dat Sampilnorov aan het conservatorium in het Italiaanse Perugia kon studeren. Nu, in de zomer, speelde de pianiste in Giercke’s ger (een ronde nomadentent) op een kleine Yamaha-vleugel. Die had een wat vlak geluid, en zo ontstond het idee om een van de „verdwenen piano’s van Siberië” voor haar te vinden, met een rijker geluid en wortels in de geschiedenis.
Dat idee liet Roberts niet los, en in de jaren daarna volgde ze het spoor van de pianogekte die Rusland in de negentiende eeuw tot diep in Siberië in zijn greep had. Die was begonnen met keizerin Catharina de Grote. Als voorvechter van cultuur had ze de piano zo populair gemaakt dat er een omvangrijke maakindustrie ontstond in Rusland, en iedere zichzelf respecterende Rus pianoles nam.
Roberts weet die cultuurgeschiedenis en haar eigen zoektocht naar de piano’s schijnbaar moeiteloos te verweven met de verschrikkelijke geschiedenis van de politieke bannelingen in de Siberische straf- en werkkampen, de goelags.
Kort na de verschijning van het boek brak de pandemie uit. Uit arren moede besloot Roberts te beginnen aan een boek over een verlaten ruïne waar ze op was gestuit toen ze vijf jaar eerder in Noord-Oost Congo was: „Een voetnoot in de geschiedenis waar een interessant verhaal achter bleek te zitten.”
Het interview vindt plaats in de namiddag, in een ruim en strak wit ingericht Airbnb-appartement in Brussel, waar Roberts een week verblijft. Ze komt net uit het archief van ontdekkingsreiziger H.M. Stanley, een van de archieven over Afrika en Belgisch Congo waar ze haar dagen doorbrengt.
Wat wordt het voor boek?
„Het is opnieuw een boek dat reizen combineert met een historisch verhaal. Het gaat over Afrika, over kolonialisme, ook weer over de negentiende de eeuw. Ik heb er net drie maanden aan gewerkt in Tanzania en een beetje in Congo, en nu zoek ik hier delen van de achtergrondgeschiedenis bij elkaar. Ik wil er nog niet te veel over zeggen; ik lever het na de zomer bij de uitgever in.”
Weer geen klassiek reisverhaal dus.
„Nee. Ik worstel met de koloniale geur die rond reisschrijven hangt. Wij Engelsen hebben een sterke traditie in reisliteratuur, maar die is geworteld in een periode waarin vooral witte mensen reisden met een retour-ticket en een gevoel van privilege. Dat zit me dwars, als schrijver en als persoon.
Vind ik het eng om als witte auteur over Afrika te schrijven? Heel eng’
„Veel reisliteratuur gaat over sterke witte mannen die de elementen verslaan. Die heroïek, dat is de traditie van Engelse reisverhalen. Tegenwoordig kun je overal heen reizen en je bent min of meer veilig, als je het professioneel aanpakt. Er is altijd iemand die je kan bijstaan, er is altijd wel een satelliettelefoon die je uit de problemen helpt. Maar wat voor reisverhalen maak je dan, als je overal veilig naartoe kan, als er geen ‘wat ben ik stoer en sterk in een moeilijke omgeving’-avonturen meer zijn?
„Wat ik interessant vind, is dat je als het ware op reis gaat in een ideologie, in een idee, waar je je ongemakkelijk bij voelt. Vind ik het eng om als witte auteur over Afrika te schrijven? Heel eng. Het is moeilijk, maar dat vind ik juist leuk.”
Is dat dan nog wel een reisboek?
„Ik vind van wel. Je moet als reiziger ook over de grote, moeilijke onderwerpen van een plek schrijven, maar je moet wel een manier vinden om de lezer daarin mee te nemen. Hoe zorg je ervoor dat de gemiddelde lezer, die er op school niet veel over heeft meegekregen, toch te weten komt wat er gebeurde in Stalins Rusland, en in het Tsaristische Rusland? Je verpakt het anders. Je gebruikt iets dat romantisch is, een soort truc om de lezer binnen te halen. Zoals de zoektocht naar een piano.”
Je worstelt met de klassieke ‘heroïsche’ Engelse reisliteratuur. Toch zoek je zelf ook extreme omstandigheden op, zoals Siberië in de winter, en woestijnen.
„Ik ben een adrenalinejunkie. Het is een cliché, maar alles wat een aanslag op de zintuigen is, levert een rechtstreekse, originele reactie op. Ik heb een hekel aan herhaling, routine is dodelijk voor mij. Extreme omstandigheden maken dat ik zelf voel, zelf denk, en voor mezelf zorg. Dat is voor mij als, nou ja, kunstenaar, een heel krachtig middel.
„Het moet me wel iets brengen. Ik heb erge hoogtevrees, dat zoek ik niet op als het niets oplevert in artistieke zin. Ik wil niet per se naar fysiek moeilijke plekken, ik wil vooral naar moeilijke onderwerpen.”
Wat neem je mee op reis? Heb je een vaste uitrusting?
„De beste kleren om in te reizen zijn zonder twijfel de polyester kleren van Comme des Garçons, in het zwart. Ik heb er broeken en jasjes van, vaak van de mannenlijn. Je hoeft ze niet te strijken, je kunt ze in elk soort water wassen. In Siberië kon ik ermee naar de opera, waar Russen zich echt voor opdoffen. Diezelfde dag was ik er het Baikal meer mee overgestoken in een hovercraft. Ik heb ook altijd drie dezelfde witte T-shirts met lange mouwen mee. Een tip van David Attenborough: vind een uniform. Hij heeft altijd hetzelfde blauwe overhemd aan.”
Je hebt lang geschreven over luxe bestemmingen zoals eilandresorts en safari’s.
„De bedoeling van dat soort reizen is dat je meegaat in een bepaald idee over de plek die je bezoekt. En dat idee wordt bepaald door een pr-machine. Veel van wat ik de laatste vijf, tien jaar gedaan heb is een reactie daartegen.”
Als je dat soort reizen lastig vindt, hoe ben je dan in het reisschrijven terecht gekomen?
„Ik ben niet opgegroeid in een gezin dat reisde. Mijn ouders zijn vrij bohemien, pretentieloos en artistiek. Ze leefden van het land, mijn vader was viskweker in Schotland en later schapenboer in Devon. Er was niet veel geld. Maar ik wist al jong dat ik wilde reizen.
Mijn grootvader, die in het leger had gezeten, vertelde verhalen over de oorlog, over waar hij allemaal was geweest, dat wekte mijn interesse voor verre landen. Er was ook een serie boeken die grote invloed had, The Faraway Tree van Enid Blyton. Daarin ontdekken kinderen in een bos een magische boom, met in de top een ladder naar een magisch land dat iedere keer als ze het bezoeken anders is.
„Ik heb een rusteloze ziel, ik kan niet stilzitten. Ik was altijd het kind dat mijn ouders niet konden vinden. Ik verdween de hele dag naar buiten, en kon goed alleen zijn. We hadden ook paarden, dat gaf me een groot gevoel van vrijheid – ik ging vaak uit rijden met mijn oudere zus.”
:strip_icc()/s3/static.nrc.nl/bvhw/files/2022/05/web-0705magbijsophy.jpg|//images.nrc.nl/gZxufUu4pzcYXL0IBGwDrvXUd5A=/1920x/smart/filters:no_upscale():strip_icc()/s3/static.nrc.nl/bvhw/files/2022/05/web-0705magbijsophy.jpg)
Wanneer ging je voor het eerst op reis?
„Toen ik achttien was. Acht maanden naar India, van mijn spaargeld en wat hulp van mijn grootouders. Na mijn studie Engelse literatuur had ik een baan nodig. En ik wilde niet werken in de reiswereld, maar wel naar het buitenland. Toen werd het tijdschrift Condé Nast Traveller in het VK gelanceerd. Ik kon daar aan de slag, het was verleidelijk om op die manier meer van de wereld te zien. Maar het was ook heel vreemd.”
Wat bedoel je?
„In die tijd, zo’n 25 jaar geleden, ontplofte de hotelbranche, er was zo veel geld. Er ontstond verwarring over waarom we reizen, ook bij mijzelf. Ik bedoel: wat hebben we nodig? Warmte, onderdak en voedsel. Luxe reizen werd een soort parodie daarop: je kwam aan bij een hotel en ze vroegen welk soort veren je wilde in je kussen. Ik dacht: hier gaat iets mis, dit is niet de reden dat ik reis. De kern van het reizen is aangetast door geld. Natuurlijk, goed design en gastronomie zijn kunstvormen, en ook comfort kun je als een soort kunst zien. Maar de kwaliteit van wat je in luxe hotels aantreft is meestal middelmatig – je betaalt er alleen erg veel geld voor.
„Ik voelde me hypocriet en collega’s merkten dat. Ik kreeg de reputatie van een beetje een gevaarlijke journalist, ze wisten nooit helemaal of ik in de pas zou lopen.”
Heb je daar een voorbeeld van?
„In 2014 reisde ik naar een nieuw resort op een klein eiland in Tahiti, The Brando. Dat beweerde indertijd – ik weet niet hoe het nu is – het grootste, meest duurzame eco-resort te zijn. Ik begreep gewoon niet hoe ze dat konden zeggen: álles” – ze slaat met haar hand op tafel– „ ál het eten werd ingevlogen uit Frankrijk. Nou ja, véél van het eten, maar je begrijpt wat ik bedoel. Hoe kan een plek in Tahiti dan een duurzaamheidsrecord claimen! Dat schreef ik dan ook op.
„Door dit soort dingen dacht ik: er moeten meer vragen worden gesteld. Maar ik moest ook een inkomen verdienen, en in de reiswereld gaan nu eenmaal de meeste artikelen over de luxe kant van het reizen. Ik was dankbaar voor de mogelijkheden, maar naarmate ik ouder werd… ik zal het nooit vergeten, ik was op de Malediven, in een enorme villa boven het water, alleen, en realiseerde me: ik zit in een rijkeluisgevangenis. Ik dacht: het moet een beetje anders.”
Wat heb je veranderd?
„Ik ben naar een therapeut gegaan. Twee dagen lang hebben we gepraat over werk dat ik heb gedaan, werk van anderen dat ik bewonder, werk dat ik in de toekomst wilde doen. Zij stelde vast dat voor mij drie dingen belangrijk waren: het verhaal moet intrigerend zijn, het moet menselijk zijn, én er moet ruimte zijn voor mijn perfectionisme – als ik een verhaal niet beter kan maken dan iemand anders, moet ik het niet doen. Ik heb die driehoek met voorwaarden op haar advies boven mijn bureau gehangen – hij hangt er nog steeds.
„Die therapeut zei: als er iemand belt met een klus, kijk je naar die driehoek. Als het aan alle drie de voorwaarden voldoet, zeg je ja. Als het aan twee voldoet, dan zeg je alleen ja als je blut bent. Als er maar één is, zeg je nee. Dat was een enorme opluchting, want ik zeg snel ja. Daardoor doe ik te veel, ook dingen die ik niet zou moeten doen.”
Je had het eerder over je ongemak als westerse reiziger die de rest van de wereld als exotisch beschouwt. Maar is dat niet de kern van reizen, ervaren hoe en waar ‘andere’ mensen leven?
„Ik vind dit een heel moeilijk onderwerp. Ik ben lang naïef geweest, heb meegedaan aan de manier waarop onze reiscultuur zich heeft ontwikkeld, aan dat exotiseren. Daar heb ik in lockdown veel over nagedacht, want het zat me dwars. Literatuurwetenschapper Edward Saïd heeft het heel goed verwoord, hij kwam in zijn boek Orientalism met het idee van niet-westerse volken als ‘de Ander’. In 2003 schreef hij in een nieuwe proloog bij het boek dat hij weigert te geloven dat de botsing van de beschavingen ‘oneindig, onwrikbaar en onherstelbaar’ is.” Roberts pakt de tekst erbij op haar telefoon: „‘Dat is helemaal geen kwestie van optimisme, maar van het blijven geloven in het voortdurende en letterlijk oneindige proces van emancipatie en verlichting.’
„Ik ben het daarmee eens. En ik vind dat ik onderdeel moet zijn van dat proces. Dus ik ga liever de verbinding aan dan dat ik me laat leiden door de angst dat het mensen exotiseert als je reist naar een plek waar de huidskleur en traditie anders is. Probeer te begrijpen, probeer overeenkomsten te vinden.”
Wat gebeurt er als je geen overeenkomsten aantreft, maar normen die heel erg afwijken van wat je zelf gelooft?
„Ik denk altijd: ik ben hier te gast. Voor mijn boek kwam ik in Siberië in huizen van compleet vreemden met een rare vraag: heeft u een piano. Zij openen hun deur, hun hart, hun verhalen, hun fotoboeken, hun soms traumatische herinneringen. Hun politieke opvattingen stonden vaak lijnrecht tegenover die van mij.
„Mijn baan is het geleiden van de verhalen van anderen. Dan moet je zorgen dat je huid volledig poreus is. Dat betekent dat je je moet losmaken van je ego, je aannames en oordelen. Ik sprak in Rusland een keer met een vrouw, een dichter, over muziek. Dat was een prachtig gesprek, maar plotseling begon ze een homofobe tirade over Tsjaikovski. Een van de tolken stopte toen het gesprek, omdat het aanstootgevend was. Na afloop zei ik tegen hem: wil je alsjeblieft nooit meer een gesprek afbreken, dit soort dingen zijn juist interessant, dan zíe ik iets.
„Ik ben als ik reis alleen agressief tegenover andere reizigers als ik ze onbeleefd vind. Dat snap ik gewoon niet. Reizen is zo’n ongelooflijk belangrijke manier om elkaar te te leren kennen en de verschillen tussen de culturen te begrijpen. Dat betekent dat je eerlijk moet zijn over je eigen cultuur, zonder aanvallend te zijn, en dat je open moet staan voor die van de ander, zonder veroordelend te zijn.”
Reizen voor wereldvrede.
„Als we niet meer reizen, verliezen we echt iets. Daarom kunnen we niet leven in een cultuur van angst voor anderen. Als we dat te ver laten gaan, als we niet meer de wereld in trekken en onszelf opsluiten in onze kamer, dan zijn we echt een gebroken samenleving.”
Als we niet meer reizen verliezen we echt iets
Is het voor reizen nodig om een doel te hebben, zoals piano’s zoeken in Siberië?
„Ik ben erg makkelijk af te leiden, dus als schrijver moet ik zeker een doel hebben om me op te richten. Neem bijvoorbeeld zoiets enorms als Siberië, een elfde van het landoppervlak van de aarde. Ik wilde er reizen, dat was mijn voornaamste impuls, ik wilde daar zijn. Er zijn veel mensen die door Siberië reizen en die volgen vaak één enkele route: de Trans-Siberische spoorlijn. Ik moest een verhaallijn vinden – níet die spoorlijn – waardoor ik vragen kon stellen die me een dieper begrip zouden geven van die plek. Dat werd de zoektocht naar piano’s. Ik doe iets vergelijkbaars met het Afrikaanse boek. Dat is de behoefte aan een doel die je als schrijver hebt. En ik heb twee kinderen en een man, ik heb een verhaal nodig dat ik kan afronden om vervolgens terug naar huis te kunnen.”
Reis je ook met je gezin?
„Ja, we hebben besloten zoveel mogelijk met de kinderen te reizen. In Engeland kun je veel geld betalen voor een privéschool, of je kinderen naar een openbare school laten gaan. We hebben dat laatste gedaan en van het geld dat we bespaarden, gingen we op reis. De kinderen hebben hele zomers doorgebracht in Mongolië, in Siberië, ze hebben de westkust van het Baikalmeer gelopen.
„Ik bespreek mijn reizen ook thuis. Mijn kinderen hebben me bijvoorbeeld aangesproken over vliegen en het milieu. Ik heb jarenlang heel veel gevlogen, ik ben totaal schuldig. Voor mijn boek over Rusland heb ik vijf reizen gemaakt. Toen ik begon met mijn boek over Afrika, zeiden mijn kinderen: practice what you preach en doe het met twee vluchten: een heen, en een terug. Daarom heb ik er drie maanden doorgebracht.”
Dat is lang. Heb je dan contact met je kinderen?
„Altijd. Ik heb meestal een satelliettelefoon bij me, hoewel ze dat in sommige landen verbieden. En ik heb een satelliettracker, Garmin InReach, waarmee je familie kan zien waar je bent. Dat is leuk, want zo kunnen ze mijn reizen precies volgen. Er is geen avond dat ik ze niet spreek.”
Wil je je niet juist afsluiten als je reist?
„Ja, maar niet van mijn kinderen. Om goed te kunnen denken kan ik me nergens anders mee bezig houden. Andere opdrachten, gesprekken over een kapotte auto, rekeningen die betaald moeten worden, dat moet allemaal wachten. Maar een kort telefoontje elke avond kan wel: hoe is het, ben je oké, dat soort gesprekjes. Het is ook veel gevraagd, om een afwezige moeder te hebben.”
Hoe is het voor je man?
„Ik leerde hem jong kennen, ik was achttien jaar en begon in Oxford, hij was net klaar met zijn studie. Ik zeg altijd dat hij het monster heeft geschapen. Hij heeft me altijd aangemoedigd om te reizen, het is een erg ruimhartige man. Hij is vrij uitzonderlijk, daar word ik vaak op gewezen.”
Voel je je weleens schuldig tegenover je gezin?
„Ik voelde me schuldig als ik op pad was voor een inhoudsloos verhaal. Maar als ik reis met overtuiging, voor iets dat zij kunnen begrijpen, waar ze trots op kunnen zijn, dan voel ik me niet schuldig. En mijn kinderen zijn cool. Een van de moeders op het schoolplein zei laatst tegen de jongste: oh Jack, je zult je moeder wel heel erg missen. En Jack zei: waarom zeg je dat altijd over mijn moeder, ik zie hier nooit vaders. Good boy.”
Aanvulling: in een eerdere versie stond dat al het eten van hotel The Brando in Tahiti uit Frankrijk werd ingevoerd. Op verzoek van de geïnterviewde is daaraan toegevoegd: „Nou ja, véél van het eten, maar je begrijpt wat ik bedoel.”
Fotografie Jorre Janssens.