Terug naar de krant

Italiaans design van vijftig jaar geleden is nog steeds verrassend actueel

achtergrond

Vijftig jaar geleden opende in het MoMA in New York een baanbrekende tentoonstelling met Italiaans design. Veel objecten die daar te zien waren zijn inmiddels klassiekers, de thematiek van destijds – duurzaamheid, een betere wereld – is nog steeds actueel.

Leeslijst

Het omslag van de tentoonstellingscatalogus was al een briljant staaltje vormgeving. In het transparante, dubbelzijdige stofomslag zijn vijf uitgestanste afbeeldingen van designvoorwerpen opgesloten: twee krankjorume lampen, een vuurrode tafel, een geel ontbijtservies en een ludiek zitelement: een plag knalgroen reuzengras van rubber. Schud het boek lichtjes en de voorwerpen verschuiven van positie. De stille boodschap van deze kinetische cover: design is altijd in beweging.

In mei is het vijftig jaar geleden dat het belangrijkste museum voor moderne en hedendaagse kunst ter wereld, het Museum of Modern Art (MoMA) in New York, de deuren opende voor Italy: The New Domestic Land-scape. Deze tentoonstelling over het nieuwe, door Italianen ontworpen interieurlandschap staat te boek als een ‘supershow’, een van de exposities die de design- en architectuurgeschiedenis hebben gevormd.

Een presentatie ook, die voor velen als een verrassing kwam. Na het Mussolini-tijdperk stond de Italiaanse meubelindustrie jarenlang op wankele benen. Maar in de jaren zestig begon een bloeiperiode waarin bedrijven en ontwerpers met elkaar wedijverden in schoonheid en innovatie. De tentoonstelling in het MoMA signaleerde die vitaliteit en maakte van Italië opnieuw het gidsland voor vormgeving waar andere landen zich aan konden spiegelen.

Die voortrekkersrol was vooral te danken aan een generatie jonge, getalenteerde ontwerpers, waarvan velen een opleiding tot architect hadden gevolgd. Met de expositie in het MoMA maakten zij internationaal naam. Hun inventieve, speelse en anderszins opzienbarende productontwerpen, waarvan vele in plastic, gaven blijk van nieuwe visies op vormgeving. Met installaties en utopische voorstellen voor alternatieve woonvormen zorgden de deel-nemers bovendien voor discussies over de verantwoordelijkheden van vormgevers voor maatschappelijke problemen die samenvielen met of voortvloeiden uit hun productontwerpen.

In designerkringen leefde destijds het bewustzijn dat duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid belangrijker waren dan consumptie en commercie. Een jaar voor de MoMA-expositie publiceerde de Amerikaanse vormgever, criticus en activist Victor Papanek het manifest Design for the Real World: Human Ecology and Social Change. Daarin stelde hij: „Er zijn beroepen die schadelijker zijn dan dat van een designer, maar echt veel zijn het er niet.”

Er zijn beroepen die schadelijker zijn dan dat van een designer, maar echt veel zijn het er niet

Maatschappelijk design

Het Design Museum Den Bosch wijdde vorig jaar nog een expositie aan het gedachtegoed van Papanek. Een tentoonstelling die duidelijk maakte dat veel jonge ontwerpers met zijn thema’s bezig zijn. Wie recente eindexamententoonstellingen bezocht van de Design Academy Eindhoven, het toonaangevende internationale opleidingsinstituut, of de sociale en maatschappelijke vraagstukken beziet waarover de internationale designconferentie What Design Can Do zich al jaren buigt (vluchtelingenproblematiek, klimaatverandering), weet dat veel hedendaagse vormgevers niet bezig zijn met het ontwerpen van nieuwe stoelen of lampen maar eerder met het werken aan een betere wereld.

De overeenkomsten met de doelstellingen en concepten van ontwerpers van nu lijken verwant met die een halve eeuw geleden in het MoMA voor het voetlicht kwamen. In het New Yorkse museum problematiseerden Italiaanse ontwerpers al de rol van productontwerpers. Ook deden ze voorstellen voor het oplossen van problemen als woningnood, de verstedelijking en milieuvervuiling.

Het MoMA lijkt zich bewust van het historisch belang van Italy: The New Domestic Landscape en heeft honderden installatie-foto’s van de expositie online gezet. Ook de -indrukwekkende, 432 pagina’s tellende tentoonstellingscatalogus (een gewild verzamelaarsobject dat antiquarisch honderden euro’s doet) is integraal toegankelijk gemaakt.

Al digitaal bladerend door dat boek is de verbazing groot. Veel van de destijds als revolutionair ervaren objecten zijn inmiddels zogenoemde ‘designklassiekers’ die vertrouwd aandoen. Ze staan wereldwijd in musea en brengen op veilingen fortuinen op. De tijd heeft op vele in het MoMA gepresenteerde stoelen en lampen ook helemaal geen vat gekregen; ze zijn nog altijd in productie. De marmeren tafels van Angelo Mangiarotti, de booglamp met marmeren voet van de gebroeders Castiglioni, de Soriana lounge chair van Tobia en Afra Scarpa; het zijn tijdloze ontwerpen die in weinig interieurs misstaan.

Zitzak Sacco (1969) door Piero Gatti, Ceasare Paolini en Franco Teodoro
Poker card table (1968) door Joe Colombo
Zitzak Sacco (1969) door Piero Gatti, Ceasare Paolini en Franco Teodoro en Poker card table (1968) door Joe Colombo

Geketende vrouwentorso

In de zomer van 1972 was ‘de schok van het nieuwe’ echter groot. Liefst 176.000 bezoekers (zoveel had het MoMA nooit eerder bij een tentoonstelling ontvangen) vergaapten zich aan de soms provocatieve overzeese ideeënrijkdom.

„Een stoel zal nooit meer een stoel zijn”, luidde de typerende openingszin van de laaiend enthousiaste tentoonstellingsrecensie van de New York Times-criticus Ada Louise Huxtable. Voor haar, schreef ze, was een stoel altijd een object geweest waarvan de formele kenmerken min of meer vastlagen. De tentoonstelling over het nieuwe landschapsinterieur in het MoMA bracht daar verandering in.

Naast de Pratone, het knalgroene rubberen graszitmeubel in het stofomslag van de tentoonstellingscatalogus, stonden in het museum nog vele andere onorthodoxe stoelen en lampen. Zoals een stoel in de vorm van een geketende vrouwentorso (de Donna van Gaetano Pesce), kei-vormige zitelementen van polyurethaan (The Rocks van Piero Gilardi) en een leren fauteuil in de vorm van een honkbalhandschoen (de Joe van De Pas, D’Urbino en Lomazzi).

De samensteller van de tentoonstelling was de toen pas 28-jarige Emilio Ambasz, een Argentijnse architect die twee jaar eerder als conservator vormgeving bij het MoMA was begonnen. Hij had 180 recente voorbeelden van Italiaans design uitgekozen. Een bonte selectie die alle kanten opschoot. Ze bevatte uitgesproken elegante objecten, gekozen vanwege de esthetische en vormtechnische kwaliteiten. Maar ook meubels waarmee de ontwerpers een nieuwe functionaliteit nastreefden of waarmee ze een statement over het gebruik of de consequenties van design wilden maken.

Elegant waren bijvoorbeeld de van aluminium en plastic gemaakte Plia-klapstoelen van Giancarlo Piretti en de vierkante poker-tafel van Joe Colombo: bekleed met groen vilt en met op elke hoek een naar buiten draaiende houder voor fiches – beide functioneel én een lust voor het oog.

De Boalum, een flexibele, tot acht meter lange lichtgevende kunststof buislamp, was een zoektocht naar nieuwe functionaliteit. Hij kon naar believen als een boa constrictor over of om andere meubels worden gedrapeerd. En de Tubo Chair van Joe Colombo verruimde de definitie van zitten. Het ontwerp leek allerminst op een stoel: de Tubo is een rol met vier holle, met schuim omhulde cilinders van verschillend formaat, die precies in elkaar passen. Uit elkaar getrokken kunnen de cilinders met metalen klemmen naar eigen inzicht tot een fauteuil worden gevormd. Streng zitten, lui zitten, onmogelijk zitten; keuze te over.

Nog revolutionairder: de Sacco van Gatti, Paolini en Teodoro. Deze leren zak gevuld met polyurethaan korrels vormt zich naar het -lichaam van de gebruiker. Vermoedelijk kan deze ‘zitzak’ tot de meest gekopieerde meubels gerekend worden.

De derde en laatste categorie objecten die Ambasz uitkoos, waren meubels met een (niet altijd even heldere) maatschappelijk boodschap. Een nogal hybride categorie die varieerde van meubels waarbij gerommeld is met de schaal, zoals een 2,30 meter hoge bureaulamp en een kamervullend zwart schaalmodel van een menselijke voet als zit-meubel (beide van Gaetano Pesce), tot stoelen waarvan niet meer duidelijk is dat het stoelen zijn, en kasten van Ettore Sottsass die door hun sculpturale vorm en veelkleurige dessins het fetisjkarakter van meubels becommentarieerden. Deze kasten zijn niet in de eerste plaats functionele gebruiksvoorwerpen, maar altaarstukken voor het moderne interieur.

Lampen I Sassi (The Rocks) (1967) door Piero Gilardi
Stoel Joe (1970) door Paolo Lomazzi, Donato D’Urbino en -Jonathan De Pas
Lampen I Sassi (The Rocks) (1967) door Piero Gilardi en stoel Joe (1970) door Paolo Lomazzi, Donato D’Urbino en Jonathan De Pas

Kar-a-Sutra

Naast de objectpresentatie nodigde Ambasz twaalf ontwerpers uit om in het museum een installatie te maken met als thema ‘het toekomstig interieur’. Door het nogal provocatieve karakter heeft deze helft van de show het meest bijgedragen aan de legendarische reputatie van de tentoonstelling.

Ongeveer de helft van de ontwerpers presenteerde mogelijke oplossingen voor woningen van de toekomst, veelal bestaande uit compacte modulaire systemen. Ettore Sottsass ontwierp bijvoorbeeld een woonsysteem waarbij alle functies, van de keuken en het toilet tot de kledingkast, zijn ondergebracht in verrijdbare kunststof containers van hetzelfde formaat. Gae Aulenti, de enige vrouw onder de deelnemers, toonde piramidevormige woonruimtes van rode kunststof die op vele manieren indeelbaar waren.

Mario Bellini concentreerde zich op het auto-interieur. Hij vond het maar stom dat de industrie zo hardnekkig vasthield aan het concept van auto’s met twee zitplaatsen voorin en twee zitplaatsen achterin. Bellini toonde de Kar-a-Sutra, een levensgroot studiemodel van zachtgroen geribbeld plaatmateriaal. Een studie die preludeerde op de MPV, de multifunctionele ruimtewagen die halverwege de jaren tachtig zo populair zou worden (mede dankzij Bellini, die later als research- en design-adviseur bij het Franse Renault meewerkte aan de in 1984 op de markt gebrachte Espace, een zeer succesvolle ruimtewagen met een silhouet verwant aan dat van de Kar-a-Sutra).

Bellini’s mini-huis op wielen had grote, verwijderbare dakramen zodat de passagiers met de buitenwereld konden communiceren. En van de verplaatsbare banken in de Kamasutra, pardon de Kar-a-Sutra, kon desgewenst ook een giga-bed worden gemaakt. De swinging sixties echoden nog na.

Iedere wereldbewoner zijn eigen auto, de utopie van de auto-industrie, dat zat er volgens Bellini niet in. Zijn studiemodel, stond in een toelichting, was een uitnodiging om na te denken over nieuwe vormen van transport.

Andere installaties in het museum vormden nog veel duidelijker statements. De -architectenbeweging Gruppo Strum deelde drie pamfletten uit: hoe de woningnood in Italië aan te pakken, manieren om technologische middelen eerlijker te verdelen, en een voorzet voor een andere, minder kapitalistische opzet van de maatschappij.

De ‘installatie’ van Enzo Mari, een even geniale als dwarse ontwerper, bestond uit een essay in de tentoonstellingscatalogus. Hoewel in het museum diverse door hem ontworpen producten te zien waren, wilde hij geen installatie maken. Mari, een communist, ergerde zich steeds meer aan de vercommercialisering van de designwereld. De taak van de ontwerper was communiceren, de taal vernieuwen, ja zelfs het alfabet!

Tube Chair (1970) ontworpen door Joe Colombo
Lamp Asteroide (1968) door Ettore Sottsass
Tube Chair (1970) ontworpen door Joe Colombo en Lamp Asteroide (1968) door Ettore Sottsass

Club van Rome

Een jaar voor de MoMA-tentoonstelling had de Club van Rome, een groep Europese wetenschappers, haar sombere conclusies over de wereld geopenbaard, in 1972 vastgelegd in De grenzen aan de groei, een rapport dat in 37 talen de wereld over ging en voor discussie zorgde. De zorgen over de uitdijende wereldbevolking, milieuvervuiling en de uitputting van natuurlijke hulpbronnen weerklonken in sommige van de installaties in Italy: The New Domestic Landscape.

Bijvoorbeeld in de installatie van Gaetano Pesce. Hij leverde een ironisch commentaar op de problemen van zijn tijd. Dat deed hij met een fictieve archeologisch vondst in het jaar 3000: een goed geconserveerde ondergrondse leefgemeenschap in Noord-Italië uit het jaar 2000, de ‘tijd van de grote besmettingen’. Omdat de buitenlucht zo vervuild was zouden Noord-Italianen rond de millenniumwisseling ondergronds gaan wonen, voorspelde Pesce.

Pesce (1939) behoort tot de deelnemers aan de MoMA-tentoonstelling die nog om commentaar gevraagd kunnen worden. Vanuit zijn woonplaats New York laat hij weten hoeveel de expositie voor hem als 32-jarige architect en kunstenaar betekende. „Met die installatie kon ik voor het eerst aan een groot publiek tonen wat ik nu nog altijd doe: met mijn ontwerpen commentaar leveren op de werkelijkheid. Nee, die ondergrondse toekomstige archeologische vondst was een politiek manifest dat niet meteen door iedereen goed begrepen werd. Mijn belangrijkste doel was duidelijk maken dat architectuur niet zomaar een gebouw is, maar een kunstvorm voor het overbrengen van ideeën en culturele waarden.”

Hetzelfde, zegt Pesce, heeft hij ook altijd geprobeerd met zijn productontwerpen. Neem de Donna, de geketende vrouwentorso. Die maakte hij als jonge idealist, in de overtuiging dat hij daarmee de heersende genderongelijkheid aan de kaak kon stellen en kon helpen verdwijnen.

Productontwerpen gaat ook over de verbeelding en wat achter de horizon ligt

Nieuwe wereld

Italy: The New Domestic Landscape maakte van Italië het ijkpunt voor design. Gae Aulenti, Mario Bellini, de gebroeders Castiglioni, Joe Colombo, Enzo Mari, Gaetano Pesce en Ettore Sottsass leidden het intellectuele debat over vormgeving en wezen met hun product- en architectuurontwerpen de weg naar een nieuwe wereld.

De expositie in het Museum of Modern Art vestigde ook de aandacht op een houding en wijze van ontwerpen die eindeloos is geadopteerd en nagevolgd: productontwerpen gaat over meer dan functionaliteit en het hier en nu, maar ook over de verbeelding en wat achter de horizon ligt.

Het is knap hoe New York Times-criticus Ada Louise Huxtable de grote betekenis van de expositie destijds direct onderkende: „Met afstand de belangrijkse vormgevingstentoonstelling van de afgelopen twintig jaar.”

Het door architect Emilio Ambasz ontworpen omslag van de tentoonstellingscatalogus.

Met milde ironie schreef Huxtable over de soms gezwollen woorden waarmee Ambasz in de catalogus schrijft over de maatschappelijke veranderingen die Italiaanse ontwerpers voorstonden. Van die omwentelingen zag de recensente in het museum nog niet zoveel bewijzen. Maar dat de tentoonstelling zorgde voor een „roodgloeiende discussie” stond voor haar vast.

De recensente eindigde haar bespreking met het prijzen van het Italiaanse gevoel voor stijl. Wat na het bezoek aan het MoMA bleef hangen, besloot Huxtable haar recensie, was „de onuitwisbare indruk van dat opmerkelijke huwelijk van geest en oog van Italianen”. Een talent dat niet alleen zorgde voor een constante stroom van competente en verfijnde gebruiksvoorwerpen, maar ook voor de meest provocerende polemieken in de kunstgeschiedenis.

Zou het niet een mooi eerbetoon aan die legendarische MoMA-tentoonstelling zijn om een nieuwe generatie vormgevers opdracht te geven met grote installaties het toekomstige interieurlandschap te verbeelden?

Een versie van dit artikel verscheen ook in NRC in de ochtend (archief) van 2 april 2022.

Mail de redactie

Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?

U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.

Maximaal 120 woorden a.u.b.
Vul je naam in