‘Ik ben erachter gekomen dat ik mantelzorger ben.” Mina zegt het neutraal. Het is geen jongen die medelijden met zichzelf heeft. Het is wel een jongen die soms baalt van zijn leven.
Mina Emad William is 15 jaar en zit in 3 mavo. Hij woont in Den Haag met zijn vader, moeder en zusje Mariam. Zijn ouders komen uit Egypte. Mina en zijn zusje zijn in Nederland geboren. Tot zover alles redelijk normaal.
Nu het abnormale. Mina is illegaal. Vijftien jaar. Zijn hele leven. Dat is best lang, zegt Mina.
Het leven zonder verblijfsvergunning heeft grote consequenties. Zijn ouders kunnen niet werken, dus is er is weinig geld. Bovendien is zijn vader ziek. Hij heeft epilepsie. Zijn vader gaat liefst niet de deur uit zonder Mina. Mina wil ook het liefst bij zijn vader zijn. Als zijn vader een aanval voelt aankomen, roept hij zijn zoon: Mina! Dan brengt Mina water. Mina is als de dood dat zijn vader erin blijft. Als zijn vader een aanval heeft, is de dag verpest.
Mina zorgt al sinds zijn zesde samen met zijn moeder voor zijn vader. Hij zorgt ook voor zijn moeder. Ze spreekt weinig Nederlands. Mina leest brieven, helpt met de administratie. Gaat soms mee naar de dokter, vertaalt op ouderavonden van zijn zusje. Pas sinds kort weet hij dat er een woord is voor wat hij doet: mantelzorger. Hij vindt het prettig dat er een woord voor is.
Mina zit op de bank in de kleine bovenwoning in De Haag. De gordijnen zijn dik en half dicht. Zijn moeder schenkt limonade, zijn zusje Mariam zit ook op de bank. Zijn vader ligt te slapen in de slaapkamer. De kamer hangt vol Mariabeelden en kruizen. Het gezin is koptisch-orthodox. Dat is de reden dat ze werden aangevallen en vervolgd in Egypte. De vader van Mina kan daar vreselijke verhalen over vertellen. Mina weet zeker dat zijn leven in Egypte niet veilig is.
Kinderen die vijf jaar of langer in Nederland wonen, vallen onder het kinderpardon. Tenzij ze er niet onder vallen. Mina en zijn zusje vallen er niet onder. Dat komt doordat hun ouders geen asiel aanvroegen toen ze Egypte ontvluchtten en naar Nederland kwamen. Ze dachten dat ze toch geen asiel zouden krijgen, en daar hadden ze waarschijnlijk gelijk in. Pas in 2005 kwam het gezin in contact met de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND). Er werd een verblijfsvergunning aangevraagd op grond van ‘schrijnendheid’. Ze hebben geen documenten om aan te tonen dat ze al veel langer in Nederland wonen.
Rot, zegt Mina.
Advocaat Martin Mons kijkt nu of een verblijfsvergunning niet toch mogelijk is. Vanwege de kinderen. Twee kinderen uitzetten die hier al hun hele leven wonen, dat wil eigenlijk niemand. „Een kinderpsycholoog heeft een rapport over ons opgesteld”, zegt Mina. „Daarin staat dat ik en mijn zusje psychisch lijden onder de situatie.” Hij knikt ernstig. Hij zou tegen de meneer van de vreemdelingenpolitie willen zeggen: stel, jij moet terug naar Egypte, hoe zou jij je voelen?
Het contact met de advocaat gaat via Mina. Alle afwijzingen van de IND krijgt Mina. „Soms begrijp ik het niet”, zegt hij dan. „Dan probeer ik heel rustig te lezen, tot het eind. En dan begrijp ik het wel.”
Hij schreef een brief aan de burgemeester van Den Haag. En aan de koning. Hij kreeg een keurig briefje terug, dat wel. Ze konden niets doen, stond er. „Dat is wel makkelijk om te zeggen, als je zelf veel geluk hebt in het leven. Dat vind ik hoor”, zegt Mina. Mina heeft begin dit jaar tijdens een zitting tegen de rechter gesproken. Dat vond hij doodeng. Maar het ging heel goed. „Als u ons dossier heeft gelezen”, zei hij. „Dan móet u toch denken: Geef deze mensen een verblijfsvergunning?”
Brieven van de IND
Tientallen brieven heeft hij al opengemaakt van de IND. Nooit de brief waar hij op hoopt. „Het is altijd: jullie moeten terug. Ik verheug me op de brief die begint met: gefeliciteerd!”
Op het Stanislascollege in Rijswijk is Mina gewoon kind. Daar is hij gewoon een leerling uit 3 mavo. Zijn verantwoordelijkheden bestaan uit huiswerk maken en opletten in de klas. Dat is het wel. Best lekker, vindt Mina.
Meneer van der Weck is zijn mentor. Een leraar met gezag. 57 jaar. Klein van stuk en gespierd. Zilveren schakelketting om zijn nek. Een leraar die niet met zich laat sollen. Betrokken maar niet sentimenteel. Hij legt een hand op de schouder van de jongen met wie hij praat. Van der Weck geeft Nederlands en Duits.
Vandaag is het mentoruur. De tafels worden in een kring geschoven. Er is veel verloop op school, dus in de derde klas vertelt iedereen iets over zichzelf, alsof ze nieuw op school zijn. Waar zijn je ouders geboren? (de meesten niet in Nederland). Hoe lang zit je al op deze school? Naast wie zit je het liefst in de klas? Wat wil je later worden en wat is je droom? Mina schrijft: ik wil journalist worden. Zijn droom: gewoon in Nederland blijven.
De blaadjes worden opgevouwen opnieuw verdeeld. Iedereen moet raden van wie het nieuwe blaadje is. Van der Weck vraagt door: „Goh, jij wil gamedesigner worden? Wat leuk! Welke opleiding heb je daarvoor nodig?” De meeste jongens willen profvoetballer worden. Bijna iedereen wil graag veel geld verdienen en een mooi huis. En, oh ja, gezond zijn is ook wel fijn.
Van der Weck: „Ha, Yassin, jij wil als je je diploma hebt naar Tunesië. Waarom? Oh, je ouders komen er vandaan! Ik begrijp het. Wat ga je daar dan doen?”
Van der Weck vraagt voor de zekerheid nog even of iedereen weet dat Mina illegaal is. Twee leerlingen reageren verbaasd. Vorig jaar was dat anders. Toen wist bijna niemand het.
En dan heeft de meester het nog even over Parijs. De derde klas gaat altijd in het voorjaar naar Parijs. Een reisje waar iedereen naar uitkijkt. En dat 350 euro kost. Voor sommige ouders is dat een probleem. Voor de ouders van Mina ook. Een groter probleem dan illegaliteit in dit geval. Want de paspoorten van de leerlingen zijn nog nooit gecontroleerd. „Ik denk niet dat ik mee kan”, zegt Mina. Hij zegt het niet boos of verdrietig. Het is zoals het is.
Hij is wel eens een paar dagen weggeweest. Dat was in de herfstvakantie. Met de kerk. Hij beklom de Eiffeltoren en stond op de Champs-Élysées. Dat waren de beste dagen van zijn leven. Waarom? „Ik dacht niet aan thuis. Ik kon me helemaal op mezelf concentreren.”
De kerk is de koptisch-orthodoxe kerk in Den Haag. Elke zondag bezoekt Mina met zijn ouders de dienst van negen tot twaalf. Na een pauze gaan hij en zijn zusje naar zondagschool. De kerk is belangrijk voor Mina, en voor het hele gezin. Zonder die kerk zouden ze het niet redden. Onder de kerkgangers wordt geld ingezameld. Genoeg geld voor de familie William om te overleven. „We vinden dat normaal”, zegt Nahed Gerges, verantwoordelijk voor de jongeren in de kerk. „Je kunt niet op zondag vertellen dat je moet zorgen voor je naasten en dan een familie laten verkommeren.”
IJzersterk optimisme
Vorig jaar zag Mina het opeens niet meer zitten. Dat gevoel had hij nooit eerder gehad. Hij was somber en moe. Hij wilde niet meer naar school. Dat was niks voor hem. Mina heeft een ijzersterk optimisme. Maar de IND had geschreven dat het nu echt was afgelopen. Dat de familie op de volgende afspraak moesten komen met vier tickets naar Egypte. „Ze wilden ons bang maken”, zegt Mina. „Dat weet ik nu. Maar toen kon ik er niet meer van slapen.”
Uiteindelijk sprak Mina erover met zijn mentor. Dat was toen een lerares. Zij vond dat Mina het in de klas moest vertellen. Anders bleef het zo’n geheim. Alleen zijn beste vriend Nicky wist het. Mina vertelde het de klas. Iedereen was stil en vond het rot voor hem. Dat was een opluchting. Het geheim was geen geheim meer.
Er kwam nog iets goeds uit voort. Een stichting die vindt dat alle kinderen moeten kunnen sporten, betaalt sinds kort een fitnessabonnement. Drie keer in de week gaat Mina fietsen, lopen op de loopband en trainen met gewichten. Mariam zou ook best op een club willen. „Maar ik hou ook erg van fietsen”, zegt ze.
Nicky is blond en boomlang. Nicky is de beste vriend van Mina. Ze kennen elkaar sinds de kleuterschool. „Je merkt niet dat Mina illegaal is”, zegt Nicky. „Je kunt altijd met hem lachen.” Mina komt regelmatig bij Nicky thuis. En Nicky bij Mina. Hij is de enige. Hij weet toch wel dat hij een kleine kamer met zijn zusje deelt, en dat er tussen de bedden alleen een smalle strook is om tussendoor te lopen.
„God heeft een boekje over ons”, zegt Mina. „Hij alleen weet hoe het afloopt.” Maar als Mina het mag zeggen, dan is het nu wel eens tijd voor papieren. „Net als voor normale mensen.”
Wat hij als eerste gaat doen als hij een paspoort heeft? Daar moet hij nog even over nadenken. Hij mailt later: „Beste mevrouw. Ik zou naar Jeruzalem gaan. Om te kijken hoe God is gemarteld. En om hem te bedanken dat hij mij een paspoort heeft gegeven.”
Naar verwachting doet de IND begin volgend jaar een definitieve uitspraak.