Ook na drie keer bellen geen sjoege. Tijdstip klopt, straat en huisnummer ook, linkerdeur, grote gouden deurknop. „Ik ben geen ochtendmens”, had Joost van Bellen (60) van tevoren ge-appt. En: „Soms ben ik doof.” Dat leek me beide logisch. Hij is dj, misschien wel de langst draaiende van allemaal. Begonnen met draaien in een kraakkelder, groot geworden in Amsterdamse clubs. Het langst werkte hij bij Roxy, de discotheek die in de jaren tachtig en negentig legendarisch was door de extravagante shows, de uitbundig uitgedoste bezoekers en het vrijgevochten vermaak. „Mijn soort is er voor het opdiepen van het oergevoel”, schrijft Joost van Bellen in zijn semi-biografische roman Nachtdier (2021). „Wij bieden de brandstof voor het broodnodige escapisme.” Met dance, house en een „onophoudelijke beat” bracht hij het publiek „in vervoering gelijk een inheemse stam”. De Roxy brandde in 1999 af, maar Joost van Bellen draaide door. Op zijn eigen feesten, bij modeshows en in internationale clubs. Van het Stedelijk Museum, Oerol en Bevrijdingsfeest tot festivals als Best Kept Secret, Pinkpop, Down the Rabbit Hole en fetisjfeest Wasteland.
Zijn telefoon hoort hij wel. In de deuropening verschijnt een grote man in een zwart T-shirt met daarop de titel van zijn boek, hij heeft z’n eigen merchandise. Het valt hem zelf op. „Wandelend reclamebord.” Maar dat was, zegt hij, geen vooropgezet plan. Hij gaat voor naar de keuken en verontschuldigt zich voor de rommel van de „verbouwing zonder planning”. Hij wijst naar de muren, die zijn weer wit. Gestopt met roken?, gok ik. „Precies een maand”, zegt hij. De keuken is net klaar. Grasgroen, vindt hij de kastjes, ik dacht meer aan gifgroen. Op het aanrecht staat een doos met spullen uit de oude keuken. Hij vist ze er één voor één uit. Een kersenontpitter. „Wat moet je ermee?” Stapels crème-bruleebakjes. Tig ouderwetse, glazen ijscoupes. Een vleesmolen. Kookt hij graag? „Ik wil het wel weer gaan doen.” Maar? „Daar moet ik rust voor zien te pakken.” Op tafel een laptop beplakt met stickers van een wandelclub. In coronatijd is hij gaan lopen, om „de stuiterballenbak” in zijn hoofd te ontvluchten.
Nu eerst koffie zetten. En de zoetjes zoeken. We zouden het hebben over feest en feesten, over vieren, vrolijkheid en vreugde. Maar hoe goed gaat het eigenlijk met hem? Al gaat maar 10 procent van Nachtdier echt over hem, dan nog maak ik me zorgen. Is hij een „op hol geslagen vehikel dat is verongelukt”? Hij knikt: „Het gaat inmiddels beter.” Maar hij was dus „versleten, oververhit, ontspoord en de zwarte diepte ingestort”? „Ik heb een flinke klapper gemaakt.” Zeg dat. Hij schrijft over „inktzwart woekerweefsel” in zijn onderbewustzijn, een fantoomkanker die hem mentaal verwoest.
Heb je je ooit eerder zo ellendig gevoeld?
„In de jaren negentig zag ik het niet meer zitten. Ik dacht lang dat het inherent was aan vijf nachten per week werken in Roxy. Hard feesten, hard werken en een relatie die licht ontvlambaar was met een latin lover. Ik ben in therapie gegaan, maar ik kreeg ruzie met mijn therapeut. Die veronderstelde dat ik homoseksueel was geworden door mijn dominante moeder, en dat daar de trigger lag voor mijn ongeluksgevoel.”
Homoseksueel gewórden?
„Het was dertig jaar geleden hè, zo dachten mensen toen. Ik kon er niks mee. De volgende klap kwam in 2014.” Hij telt op z’n vingers: „Mijn vader overleed aan longkanker. Ik trouwde dat jaar, mijn eerste roman kwam uit en mijn eerste liefde sprong van het dak, net nadat we weer contact met elkaar hadden. Ook Roxy-icoon Harrie Wildeman ging dood. Hij had hiv-dementie gekregen omdat hij, totaal zelfdestructief, zijn medicatie niet meer innam. Een van de candy girls, een Braziliaanse jongen, overleed aan darmkanker en een van mijn allerbeste vrienden pleegde ook zelfmoord. Dat is allemaal aan me gaan vreten. Toen ben ik in 2016 weer therapie gaan doen, maar eigenlijk werd het alleen maar erger. Zo erg dat het écht verkeerd dreigde af te lopen. Het einde leek mij wel een redding, maar ik wist ook wat de impact daarvan op anderen is. Dat mocht niet gebeuren. In 2017 ben ik aan de antidepressiva gegaan. Daar zou ik in 2020 mee stoppen, maar toen kwam corona. Nu ben ik weer aan het afbouwen.”
Foto’s Roy Tee, Cleo Campert, Reco Koers / Hollandse Hoogte
Als die pillen helpen, waarom wil je er dan zo graag van af?
„Ik heb het idee dat er een mist om me hangt. En zacht, zijdeglans laagje. Ik voel dingen niet echt, ik ben minder alert en mijn libido is naar zijn grootje. Na vijf jaar wil ik het gevoel wel weer eens terug. Ik zie wel dat ik iemand aantrekkelijk vind, maar het signaal naar beneden is er nog niet.”
Is dat een probleem thuis?
„Dat ik minder behoefte heb? Nee, dat is geen probleem. We zijn al 28 jaar met elkaar.”
Er is toch nóg een man in huis?
„Die is er geweest ja. Vijf jaar. Maar hij is niet meer bij ons.”
Wat ging er mis?
Hij aarzelt. „Dat is te vers en te privé. Laat ik zeggen: het ging niet goed met mij en corona kwam erbij. Ik was mijn werk, mijn inkomen, mijn bestaan kwijt. Een dj is de zwakste schakel, de eerste die uitgeschakeld wordt door de hyena’s en wolven die rond het feestleven zwerven. Ik hing in het luchtledige. Zou ik vallen? Nee, ik bleef hangen.”
Dus nu het beter met je gaat….
„…wil ik van die medicatie af. Ook al is de timing nog steeds slecht.”
Waarom is de timing verkeerd?
„Oorlog in Oekraïne? De dreiging van een kernoorlog. Het openlijke fascisme, de haat jegens de ander. De klimaatcrisis. Ik volg het nieuws, misschien zou ik het niet moeten doen. Van doemscrollen wordt je wereld- en mensbeeld niet beter. Word ik daar somber van? Ja. Of nee. Het zijn zware, rare tijden, dat is het.”
Ben je nu meer bezig met de wereld om je heen dan in je Roxy-jaren?
„O ja, absoluut. 35 jaar geleden interesseerde het me allemaal niet zoveel. Feesten zagen we als een manier om een andere wereld te creëren, een parallel universum van hedonisme en escapisme. Tot aids kwam. Daar kon niemand in de uitgaanswereld z’n kop voor in het zand steken. De mensen van de club, je vaste klandizie, het was je familie en de één na de ander viel om. De barman kreeg het, een goede vriend van me ging eraan dood. Hij wilde dat we zijn lichaam na zijn dood in een vuilniszak deden, of in twee als hij er niet in paste. Speaker in het raamkozijn met de laatste nummer 1-hit en dan hup, mee met de vuilniswagen. Aids trof de mensen op het randje van de samenleving, sekswerkers, drugsverslaafden, homoseksuelen en het roekeloze uitgaansvolk, mijn mensen. Ik ben Loveballs gaan organiseren, feesten met een zwart randje, om aandacht te vragen voor de ziekte die het verdomhoekje trof. We lieten zien dat wij het leven vierden en onze doden zo kleurrijk mogelijk eerden. Dansen op de vulkaan, schreeuwen om aandacht.”
Maar oorlog en klimaat laten zich niet weg feesten?
„Een feest organiseren om wapens voor Oekraïne te kopen? Dat is krom. Ik heb een andere manier gevonden om ermee om te gaan. Niet als dj en feestorganisator, maar één op één. Ik heb me als vrijwilliger gemeld bij Stichting Regenboog, en nu begeleid ik een vluchteling uit Teheran, een kunstenaar. Ook al sta ik zelf psychisch niet al te sterk in mijn schoenen, ik wil iets positiefs bijdragen. Als het beter gaat met hem, gaat het beter met mij.”
Op de dansvloer bestaat geen politiek, geen racisme of homofobie
Andersom kan ook.
„Ik heb gevraagd om een lightweight. De eerste aan wie ik werd gekoppeld, dat ging niet. Die zat mentaal zo in de knoop, dat kon ik niet aan. Maar deze is hartstikke leuk. Ik help ook een meisje van 22, een modefotograaf uit Lviv, al beschouw ik haar inmiddels meer als vriendin. Oekraïne heeft, of had, een heel levendige modewereld.”
Hij staat op om zijn neus te snuiten – „geen corona” – in een servetje net zo gifgroen als de keukenkasten. Hij ziet het en grinnikt. „Geen opzet, echt niet.”
Kun je een dj vergelijken met een keeper? Je hoort bij het voetbalteam, maar je blijft een eenling?
„Ik zie mezelf meer als dirigent, al klinkt dat wel erg over de top. Een circusdirecteur dan, zo sta ik ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Of een herder. Iemand die de sfeer neerzet, een menner van het publiek.”
Een doveman die draait voor horende oren. Is dat niet lastig?
„De orkestleden die vóór de blazers zitten hebben ook vaak gehoorschade. Maar het zit me niet in de weg als ik werk. De muziek staat tegenwoordig keihard, veel harder dan vroeger. De dj’s dragen allemaal oordoppen, daarom.”
Als anderen dansen, ben jij aan het werk. Jij kunt jezelf niet verliezen in het feestgewoel.
„Helemaal verliezen kan niet, helemaal nuchter blijven werkt ook niet. Ik moet wel voelen wat het publiek voelt. Soms loop ik van tevoren de vloer op of de festivaltent in om de mensen te lezen, te snuffelen hoe het voelt. Ik draai voor de sfeer, om mensen bij elkaar te houden, en daar doe ik concessies voor. De meeste dj’s draaien wat ze van plan waren, ik doe wat er op dat moment nodig is. Op een goede avond wordt het een mengelmoes van tolereren, accepteren, flirten. Op de dansvloer bestaat geen politiek, geen racisme of homofobie. Mensen moeten niet naar mij staan te kijken, ze moeten iets met elkáár beleven. Vroeger had ik last van zenuwen, dan had ik een paar borrels nodig om het scherpe randje eraf te halen. Sinds corona heb ik daar gek genoeg geen last meer van. Count your blessings, Joost. Je bent zestig, waar ben je bang voor? Dat de nieuwe generatie je inhaalt? Laat ze maar komen, het is geen wedstrijd. Mij noemen ze de nestor van de dance. Of ouwe, wijze bok. En dat is prima. Ik krijg ook een ander soort gigs. Draaien in de Kunsthal, het Stedelijk Museum, een modeshow bij het Comomeer. Kleinere optredens doe ik ook nog steeds. Voor MediaMatic draai ik als dj Huppeldepup op de Gentle Disco, soms voor vijftig man, soms voor tweehonderd. Iedereen staat te dansen op compostzakken met levend mycelium, het afval van oesterzwam-kwekerijen. Het is een experiment, om te kijken of je het platgetrapte overblijfsel kunt gebruiken als bouwmateriaal. Dat is positief het leven vieren, de energie die vrijkomt bij het feesten gebruiken om iets nieuws te maken.”
Is draaien in een museum anders dan in een club?
„Dj en dance zijn uit de club gekropen. Uit de nacht en geïntroduceerd in de kunstwereld, het heeft status gekregen. Maar ik word ook gewoon nog gevraagd voor Wasteland hè, een fetisj leerfeest. Uiterlijk vertoon, geilheid, het verdorvene en daar muziek bij draaien om het extra op te zwepen.”
Hoe voel jij je als je daar staat?
„Ik ben zelf altijd een tutje geweest qua seks. Best wel preuts.”
Ik ben zelf altijd een tutje geweest qua seks. Best wel preuts
Als ik je boek goed lees, en als die scène over jou gaat, dan ben je als twintiger verkracht.
„Ja? Ja. Já. Dat is wel zo. Hoewel… Ik moest en zou ontmaagd worden, heb geen ‘stop’ geroepen en was stapelgek op die jongen. Het goede van die… ontmaagding is, achteraf, dat ik me daarna nooit helemaal heb laten vallen in dat heel seksuele… die verslaving aan seks. Dan was ik er nu niet meer geweest. Ik heb nooit rondgespookt in de uitgaans gay-wereld. Ik vond die clubs een beetje eng. Kwam dat door die verkrachting? Weet ik niet.”
Misschien heb je je nooit helemaal verzoend met je homoseksualiteit?
„Misschien is dat wel waar. Als kind denk je dat er iets niet aan je klopt en dat je de enige bent die anders is. Jezelf accepteren is pijnlijk en eenzaam. Niemand keek ervan op toen ik ermee naar buiten kwam in mijn puberjaren. Maar toch. De drang om jezelf te laten gelden, om uit te blinken en op te vallen, de lat zo hoog leggen dat je eigenlijk altijd faalt. Daarom zie je vaak dat homoseksuele mannen veel aandacht aan hun uiterlijk en kleding besteden. Om geaccepteerd te worden moet je perfect zijn. Ze zeggen dat je als kind al heel jong seksualiteit in je hebt, heel primair. Kleine jongetjes worden verliefd op hun moeder, het Oedipuscomplex. Een homo-jongetje zou verliefd zijn op de vader. En als die vader daarop reageert met afwijzing…”
Wees jouw vader je af?
„Nee, hij wees me niet echt af. Mij is verteld dat hij Asperger had, en dat maakt communiceren en liefde uiten natuurlijk lastiger. Hij was een selfmade man, kapper met een eigen zaak. Succesvol. Hij zag er geweldig uit, mooie pakken, drinken, roken, flirten, feestjes, eersteklastickets in het vliegtuig. Mad Men-achtig.”
:strip_icc()/s3/static.nrc.nl/bvhw/files/2022/11/data93470655-6b2c58.jpg|//images.nrc.nl/1uB--Ei6b_x0DoGNv-KZM1PtOUE=/1920x/smart/filters:no_upscale():strip_icc()/s3/static.nrc.nl/bvhw/files/2022/11/data93470655-6b2c58.jpg)
Gelukkige jeugd?
„Ik heb het wel goed gehad. Mijn broer, hij is drie jaar jonger, raakte verslaafd aan heroïne. Hij is het er niet mee eens, maar ik heb wel eens gedacht dat het een reactie op mij was. Ik wilde altijd de beste zijn, de lieveling van de juffrouw, de voorzitter van de feestcommissie, redacteur van de schoolkrant, die jongen in de opvallende kleren. Ik schreeuwde om aandacht in het hyperpositieve, hij door heel vervelend te doen. Van school gestuurd, altijd lastig, altijd gedoe. Zeven jaar geleden kreeg ik ineens een vriendschapsverzoek van hem op Facebook. Hij had het jaar ervoor op het sterfbed van mijn vader beloofd af te kicken en voor mijn moeder te zorgen. En nu was het zover. Als je me vraagt wie mijn grootste held is, dan zeg ik: mijn broer. Hij is op eigen kracht uit de ellende gekomen en zorgt goed voor zichzelf en voor mijn moeder. Knap, want hij moet opboksen tegen vooroordelen over verslaving en verslaafden. En van zijn oude leven is weinig meer over. Een deel van zijn vrienden overleed door drugs of ziekte of allebei, een deel pleegde zelfmoord.”
Ik hoor een paar parallellen tussen jullie levens…
„Ik ben nooit verslaafd geweest. Alleen aan roken.”
Hij staat op. „Water?” Zijn man Sander komt „even heel kort” binnen met zijn moeder om haar de nieuwe keuken te laten zien. Prachtig, vindt ze. Als ze weer weg zijn, vraag ik of het druk wordt met optredens, zo aan het eind van het jaar.
„Niet zo druk als in de zomer, expres niet want ik heb beloofd nog een boek te schrijven, over de jaren negentig, en ik weet ook niet wat mensen straks willen en kunnen betalen voor een avondje uit. Ik ben van plan om volgend jaar met dj St Paul het land in te gaan. Ik stond met hem op het Bevrijdingsfestival in Groningen, en dat was m’n beste optreden van het jaar. 16.000 man in de tent, mensen tot ver daarbuiten, dansers, visuals. Drie uur lang golfde de zaal van heehoo, woohoo. Alles kon. Drum and bass, zoetsappige country rock, veel dance. Wij waren een geoliede machine, het publiek was warm en fijn. Eén grote groepshug.” Hij doet alsof hij tranen uit zijn ogen wrijft. „Het klinkt suf en mierzoet misschien, maar ik wil komend jaar de liefde in het zonnetje zetten. Zorgen dat mensen van elkaar houden en samen het hier en nu vieren. Feest met een zilveren randje, want veel mensen zijn te somber.”
Inclusief jijzelf.
Hij lacht. „Ik heb ook een lichte kant nu. Ik yin en yang de hele flikkerse boel bij elkaar. En als het te donker wordt in mijn hoofd, ga ik wandelen.”
Fotografie Dana Lixenberg