Gláucio (13) en Márcia (18) Ventura Tiago mogen blijven. De protestbijeenkomst voor Kamp Zeist, waar de Angolese kinderen sinds vrijdag werden vastgehouden, werd gisteren nog nét geen feestje. De domper is dat hun vader waarschijnlijk wel wordt uitgezet. Maar de tickets naar Angola die voor de moeder en de twee kinderen klaarlagen, blijven ongebruikt. Bij alle betrokkenen is de opluchting groot.
Hoe kan dat nou? Vijftien jaar lang is dit gezin al in Nederland. Uitgeprocedeerd. Illegaal. En toen moesten ze vorige week weg. En snel. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) besliste ineens: het is nu écht voorbij.
Met acht man politie werden ze uit hun woning in het asielzoekerscentrum in Gilze-Rijen opgehaald, zonder zelfs hun tanden te mogen poetsen. Ze werden overgebracht naar de vreemdelingengevangenis in Zeist, een atypische plek voor een leerling uit twee havo (Gláucio) en een kersverse student rechten aan de Erasmus Universiteit die advocaat wil worden (Márcia).
Dat klinkt niet alleen dramatisch, dat ís dramatisch. Het is ook een verhaal dat het goed doet op tv, in kranten, op sociale media. Zeker als het gaat om mooie kinderen die goed uit hun woorden kunnen komen en het goed doen op school. Kinderen die bij wijze van spreken je fijne buurkinderen hadden kunnen zijn. Met zo’n mix kan het snel gaan.
We hebben het eerder gezien. Het meest pregnante voorbeeld is Mauro Manuel, die eind 2011 op zijn achttiende terug moest naar Angola omdat hij meerderjarig werd. Na hevig protest en een onophoudelijke stroom media-aandacht – Mauro was volkomen ingeburgerd en woonde in een Nederlands pleeggezin – besloot toenmalig minister Gerd Leers (CDA) dat hij voorlopig met een studievisum mocht blijven. Inmiddels is zijn verblijfsvergunning definitief. De pleegoma van Mauro schreef naar aanleiding van de naderende uitzetting van Márcia en Gláucio een hartverscheurende open brief aan de staatssecretaris met de vraag: „Kunt zichzelf nog in de spiegel aankijken ’s morgens als u wakker wordt?”
Breed protest
Ook het 14-jarige Afghaanse meisje Sahar Hibrahim Ghel moest indertijd absoluut terug naar Afghanistan. Maar na hevig maatschappelijk protest besloot minister Leers begin 2011 dat het voor verwesterde meisjes onveilig is in Afghanistan. Sahar mocht blijven.
Zonder publiciteit hadden Mauro en Sahar nu in Angola en Afghanistan gezeten. Maar breed protest heeft niet altijd effect: de Kosovaarse Taïda Pasic was in 1999 naar Nederland gevlucht. Negen jaar later werd ze door toenmalig minister Rita Verdonk (VVD) uitgezet. Ze zat toen net voor haar eindexamen vwo. Dat zou ze nog in Nederland af mogen maken, maar daar stak Verdonk een stokje voor. Pasic is toch goed terechtgekomen. Ze haalde in Sarajevo haar eindexamen, studeerde rechten in Leiden en werkt nu op een internationaal advocatenkantoor in New York. Specialisatie: de Nederlandse immigratiewetgeving.
Media-aandacht is geen garantie voor succes. Maar het kan behoorlijk helpen. De vernederlandste kinderen die niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning weten dat goed. Ze zoeken zelf de media, of hun school, buurt of advocaat doet dat. De stroom kinderen die de afgelopen jaren op het Jeugdjournaal of in de lokale pers verschenen, is lang.
In het geval van Gláucio (13) en Márcia (18) Ventura Tiago lobbyde Defence for Children. Deze organisatie zet zich onder meer in voor kinderen die al jaren in Nederland wonen en niet mogen blijven. Als ze langer dan vijf jaar hier wonen, kunnen ze van de vereniging ‘Wij blijven!’ lid worden. Samen met de advocaat van het kind wordt gekeken of er binnen de procedure nog een mogelijkheid is verblijf af te dwingen. Soms lobbyt de organisatie voor de kinderen bij Kamerleden. Pas als het niet anders kan, zoekt de organisatie publiciteit.
Grillig vreemdelingenbeleid
Staatssecretaris Klaas Dijkhoff (Veiligheid en Justitie, VVD) heeft nu gebruik gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid. Dat betekent dat hij voor een afzonderlijk kind of gezin beslist of ze om humanitaire redenen mogen blijven. Zijn woordvoerder zegt dat het gezin de volgende keuze is voorgehouden: „Of met z’n vieren terug naar Angola, of met z’n drieën blijven. Ze hebben voor de laatste optie gekozen.”
Of de staatssecretaris dit onder druk van de publiciteit heeft gedaan, is niet bekend. Het is wel waarschijnlijk. Hij zal niet hebben uitgekeken naar de verwachte ophef over weer een verwesterd kind in de schijnwerpers.
Tegelijkertijd laat dit voorval zien hoe grillig het vreemdelingenbeleid is. En hoe lastig regelgeving, omdat er altijd uitzonderingen en dus schrijnende gevallen zullen zijn.
Veel kinderen worden ook wél uitgezet. Hoeveel precies is niet bekend, dat wordt niet apart bijgehouden. Maar het waren er de afgelopen tien jaar vele duizenden. Verslaggever Sinan Can zocht enkelen van hen op in Irak, Afghanistan, Angola, Armenië en Kosovo en maakte de documentaireserie Uitgezet.
Voor kinderen en jongeren als Gláucio en Márcia is er sinds 2013 het kinderpardon. Kinderen van asielzoekers die langer dan vijf jaar in Nederland wonen voordat ze 18 jaar worden, krijgen een verblijfsvergunning. Die moeten ze dan wel aanvragen voordat ze 21 zijn. Ouders en eventuele broertjes en zusjes mogen ook blijven, mits ze aan voorwaarden voldoen. Zo moet het gezin onafgebroken in Nederland zijn geweest, een asielvergunning hebben aangevraagd en altijd hebben meegewerkt in de asielprocedure.
Maar als bij alle regels zijn er mensen die er net buiten vallen. Zo ook bij dit gezin. Dat heeft te maken met het verleden van de vader van Márcia en Cláucio. Voor zijn komst naar Nederland was hij militair onder het ‘foute’ Angolese regime. De IND heeft een „ernstig vermoeden” dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden – anders dan in het strafrecht is bij asielwetgeving een ernstig vermoeden genoeg, en moet de asielzoeker dat vermoeden ontkrachten. Het gevolg: zijn hele gezin krijgt geen verblijfsvergunning.
Kinderpardon
Ze zijn niet de enigen. In mei dit jaar was in de Tweede Kamer een hoorzitting over de uitvoering van het kinderpardon, zoals VVD en PvdA dat in het regeerakkoord overeenkwamen. Kinderombudsman Marc Dullaert zette voor dat debat tientallen zaken van kinderen online die volgens hem ten onrechte buiten de regeling vielen.
Tijdens de hoorzitting ging het vooral om kinderen die niet onder toezicht van het rijk hadden gestaan: een voorwaarde om in aanmerking te komen voor het kinderpardon. Ruim 300 burgemeesters ondertekenden een aan toenmalig staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie, VVD) om kinderen die niet onder toezicht bij het rijk stonden toch een vergunning te geven als ze wel bekend waren bij de gemeente – omdat ze naar school gingen, lid waren van sportclubs of de bibliotheek. Het zou om zo’n 300 kinderen en hun familie gaan. De burgemeesters zitten regelmatig met deze kinderen in hun maag, omdat ze ingeburgerd zijn in hun gemeente en dreigen te worden uitgezet.
PvdA-leider Diederik Samsom zei nog voor de hoorzitting: „Kinderen moeten buiten spelen”, en niet in praatprogramma’s aanschuiven „als politieke trofee voor een geslaagd of falend beleid”. Hij ergerde zich over kinderen die in de publiciteit verschijnen om de willekeur van het kinderpardon te tonen. De één krijgt een verblijfsvergunning. De ander niet – tenzij de staatssecretaris op de valreep anders beslist.