De expositie stuitte op felle kritiek: voorlopers van Bolkestein en Cliteur roerden zich. Filantropische organisaties die zich inspanden voor de emancipatie van de indianen, spraken schande van de `barbaarse' tableaus die in Chicago te zien waren. Die hielden `de indiaan' immers geketend aan zijn duistere verleden en belemmerden zijn initiatie in de moderniteit. Bovendien waren de primitieve rituelen aanstootgevend voor de goede smaak. In kranten gonsde een campagne om de indiaanse demonstraties te verbieden, omdat die ,,een toonbeeld zijn van de meest walgelijke barbaarsheid''.
De ophef gaf een nieuwe impuls aan een harde poging van de Amerikaanse overheid om de indianen te assimileren. Stamverbanden moesten worden doorbroken, de individuele indianen omgevormd tot modelburgers. Hoe moest dat? Merrill Gates, lid van de vereniging Vrienden van de Indianen, formuleerde de marsorders: ,,We gaan de barbarij overwinnen, en we gaan dat één voor één doen: door ieder individu, man, vrouw of kind, te leiden naar de ware beschaving. We zullen de indiaan veroveren met een leger van scholen en leraren, gewapend met ideeën.'' Kapitein Richard Pratt, stichter van een indiaanse kostschool, zei het nog wat puntiger: doel was ,,de indiaan doden, om de mens in hem te redden''.
Veel van de culturele stereotypen en paternalistische overtuigingen die het debat ruim een eeuw geleden beheersten, keren terug in het huidige Nederlandse `debat' over de integratie van niet-westerse allochtonen. Critici van het multiculturalisme hameren erop dat minderheden niet moeten worden ,,opgesloten in hun eigen cultuur'', zoals de critici van Chicago ook al deden. Ze wijzen even stellig als de evolutionisten van toen op de morele superioriteit van de westerse beschaving en de plicht om immigranten daarin met harde hand in te wijden: in elke moslim schuilt immers een seculier individu dat snakt naar adem, zoals in elke indiaan een Amerikaanse burger worstelde om naar buiten te komen.
De recente VVD-notitie over integratie stelt dat niet-westerse culturen die het recht op zelfbeschikking niet erkennen, buiten ,,de morele waarheid'' staan. Het krankzinnige plan van minister Verdonk om met `vignetten' per individu de mate van integratie van allochtonen te bepalen al zijn ze hier geboren en wonen ze hier dertig jaar past in dit stramien. Het is nog geen schedelmeten, maar ook vroeger werd gewerkt met `persoonlijkheidsprofielen' van indianen, die hun aanpassingsvermogen aan de moderne beschaving moesten vaststellen.
De Amerikaanse campagne om de indianen te assimileren werd gedreven door een combinatie van humanitaire, evolutionaire en racistische motieven. Humanitair doel was de indiaan te bevrijden uit zijn primitieve cultuur. Evolutionaire inspiratie bood het idee van de mars van de vooruitgang. De racistische achtergrond vormde de overtuiging dat `barbaarse' volken inherent inferieur waren. Antropoloog Daniel Garrison Brinton verwees naar de `aangeboren prikkelbaarheid' van de indiaan (zoals Marokkanen en andere mediterrane volken nu gelden als licht ontvlambaar door eerwraak), die ,,als hij vasthoudt aan zijn gewoontes, en weigert zich te mengen, uitgeroeid zal worden door ziekte en competitie [van andere rassen]''.
Al deze elementen zijn aanwezig in het huidige liberale beschavingsoffensief om allochtonen gedwongen te integreren. Met één verschil: het humanitaire aspect (zoals de zorg om mishandelde vrouwen of besneden meisjes) lijkt minder zwaar te wegen dan de eenvoudige wens om vreemdelingen te disciplineren. Zoals toenmalig LPF-minister Nawijn van Integratiebeleid het al zei: vreemdelingen die hierheen komen, moeten gewoon ,,doen wat wij willen''.
Maar als de ambities van het Amerikaanse assimilatieproject en het huidige VVD-beschavingsoffensief vergelijkbaar zijn, kan het ook geen kwaad te kijken naar de afloop. De campagne om de indiaanse populatie te assimileren ging met vliegende vaandels van start, maar liep vast in teleurstelling en cynisme. De gedwongen aanpassing van de indiaanse bevolking behelsde onder meer het uit elkaar halen van gezinnen (de kinderen moesten naar een kostschool), een uitverkoop van stamlanden aan particulieren (omdat individueel eigendom van de indiaan een modelburger zou maken) en een keiharde repressie van hun religie. Alleen door de overheid `competent' verklaarde indianen hadden recht op burgerschap.
De rampzalige gevolgen werden in 1928 te boek gesteld in het Meriam-rapport, dat een algehele ontreddering signaleerde van de indiaanse gemeenschappen. Armoede, ziekte, cultuurshock en sociale desintegratie bepaalden het beeld. Onder politici taande de belangstelling voor assimilatie, onder academici groeide de desillusie met het evolutionaire model: kennelijk verliep de overgang van barbarij naar moderniteit toch niet zo dwingend als was gedacht. De indiaanse gemeenschappen werden aan zichzelf overgelaten en gedegradeerd tot enclaves voor derderangsburgers. Pas met Roosevelts New Deal volgde een nieuwe politiek die de nadruk legde op zelfbestuur en die niet gepaard ging met de eis van culturele aanpassing.
Kan Nederland anno 2004 hier iets uit leren? Wij behandelen migranten, al wonen ze al een mensenleven in dit land, als onze eigen nieuwe barbaren die moeten worden bevrijd uit de ketenen van hun cultuur. Dit paternalisme gaat hand in hand met een beledigende, hiërachische en objectiverende kijk op de mensen die men zegt te willen beschaven. Dat is geen formule voor succes. Idealisme en cynisme liggen bovendien in elkaars verlengde: wil men onze mooie beschaving niet? Laat dan maar zitten, of beter nog: pak je biezen.
Er is ook een opvallend verschil. Geen Amerikaan voelde zich destijds nog bedreigd door de indianen: een verslagen prehistorisch volk. Wij voelen ons wél bedreigd door de praktizerend-religieuze migranten uit islamitische windstreken. De verhoudingen zijn dus omgekeerd: wij gedragen ons als belaagde inboorlingen, benauwd voor kolonisatie door vreemde nieuwkomers. Dat getuigt niet van een sterke beschaving.
Sjoerd de Jong is redacteur van NRC Handelsblad.