„Weten jullie hoelang ik erover heb gedaan om dit te ontwerpen?”, vraagt Nydel Forgweh. Hij wijst naar het model dat naast hem staat, in een jack en broek van zwart leer, rijkelijk bezet met zilverkleurige kettingen. De zaal doet schattingen: maanden, een week? „Twee minuten!”, zegt Forgweh, die een indrukwekkende flux de bouche heeft. „Dat is geen grap, het is de waarheid. Ik heb dit in twee minuten gedaan. Maar ik heb er acht uurtjes voor geslapen. Ik ontwerp in mijn slaap. Ik weet dat het niet perfect is wat ik maak, maar voor mij is het perfect. Ik ben een talent uit 1104. Alle jongens uit deze buurt worden in de media neergezet als slechte jongens. Maar als je uit Zuidoost komt moet je trots zijn op jezelf. Geloof me, wij zijn groot en wij zijn hard.”
Het is vrijdagavond 5 juli. Morgen gaat de winkel van Forgwehs merk The Forest open in winkelcentrum Amsterdamse Poort in Amsterdam Zuidoost. Vrienden, familie, mensen die hem hebben geholpen of gestimuleerd mogen straks al kijken. Maar eerst is er een toespraak, gevolgd door een hoop bedankjes, in de bovenzaal van de dependance van het Bijlmer Parktheater, pal tegenover de winkel.
De genodigden hebben een tijdje moeten wachten op Forgweh. In de winkel was hij aan het worstelen met het grijze gordijn dat hij had gekocht om voor de paskamer te hangen. Omdat hij niet snel genoeg doorhad hoe hij het door de rail moest krijgen, knipte hij er twee grote gaten in. „Niet echt Louis Vuitton”, constateerde hij toen het hing.
Mannenmodeweek
„Hallo mevrouw Milou”, begint de eerste dm die ik van Forgweh krijg. „Alles goed met u?” Het is eind januari, en hij is net voor het eerst naar de mannenmodeweek in Parijs geweest. Hij wil graag vertellen hoe dat zo is gekomen.
Een maand later zoek ik hem op in de flat in Amsterdam Zuidoost waar hij met zijn moeder en jongste zus woont. In de woonkamer heeft hij over de bank kleding van The Forest gedrapeerd: trainingspakken, T-shirts en bodywamers met het logo The Forest erop en een zwart sweatshirt met een groot, rood gebroken hart op de rug. „Iedereen loopt met een gebroken hart”, zegt hij. „Ik ook: ik ken mijn vader niet.”
Forgweh kwam op het idee de mode in te gaan nadat hij twee keer op het Kerstgala van zijn middelbare school was verkozen tot bestgeklede jongen. „Ik dacht: ik heb blijkbaar gevoel voor stijl.” Zijn webshop, die in 2021 online ging, heeft hij uit de lucht gehaald toen zijn moeder een klein jaar geleden ziek werd, maar hij heeft net een ruimte in Amsterdamse Poort toegewezen gekregen voor zijn winkel, of store zoals hij zegt – zijn grote droom. Het vastgoedbedrijf achter het winkelcentrum gaf hem korting op de huur. „Ik heb ze verteld wat er ontbreekt in de Poort: jongeren van tussen de 16 en 32 komen er niet meer shoppen.”
Vannacht heeft hij tot vier uur gefeest met medestudenten van zijn hbo-studie rechten. Voordat hij ging slapen heeft hij online twee uur naar kasten gezocht voor zijn winkel. Als ik straks weg ben kan hij nog even contact hebben met zijn kledingfabrikant in China. „Als ik zeg ‘let’s go’ bedoel ik ook echt: we gaan gewoon. Desnoods eten we de hele dag niet.”
Forgweh was in Parijs dankzij Mike Amiri en Adrian Ward-Rees, de oprichter en de ceo van Amiri, een prijzig, casual Amerikaans modemerk dat, zoals Forgweh zegt, „een van de allergrootste is en voor de jongens die niet uit de nette kant komen misschien wel de allergrootste”. De uitnodiging had hij indirect te danken aan zijn optreden in het NOS-journaal, eind 2021. Virgil Abloh, oprichter van modemerk Off-White en creatief directeur van de mannenlijn van Louis Vuitton, was op 41-jarige leeftijd overleden, en Forgweh mocht voor de camera vertellen wat de Ghanees-Amerikaanse ontwerper voor hem als jonge zwarte streetwearontwerper had betekend.
Forgweh mailde het fragment naar artiesten die zijn merk droegen, zoals de Ghanese Stonebwoy en KiDi, en naar modemerken als Daily Paper en Amiri. In het voorjaar van 2023 stuurde hij het ook naar de toen net bij Amiri benoemde Ward-Rees, die zowaar reageerde, met „vaderlijk advies over hoe ik dingen zou kunnen aanpakken”. In november volgde een uitnodiging voor de show in Parijs, reis en verblijf vergoed door Amiri. Hij mocht ook nog een outfit uitzoeken. „Mijn moeder zei: dat moet je niet aannemen, want dan ben je een last voor die mensen.” Dus ging hij op eigen gelegenheid, met eigen kleren.
De grote vraag was van tevoren: hoe kon hij er opvallen? „Voetballers, miljonairs, de grootste artiesten van de wereld komen er.” Een zwarte lycra bivakmuts die alleen zijn ogen vrijliet, bedacht hij. Bovendien een ode aan een van zijn beste vrienden, die in 2020 bij een schietpartij om het leven kwam en als rapper Nake Amiry graag maskers droeg. „Ik kom bij die show, ik stap uit de taxi. Al die fotografen keken naar mij. Ik heb me nog nooit zo goed gevoeld.” Na afloop mocht hij backstage. „Mike Amiri ziet me en zegt: it’s you. Dit is wat je moet blijven doen: opvallen.”
Forgweh had ook advies voor Mike Amiri: „Amiri heeft een broek van 7.000 euro. Ik heb letterlijk met hem besproken wat jongens in Zuidoost doen voor zo’n broek. Ik zeg niet dat mensen er de criminaliteit voor ingaan, maar criminelen zeggen na een geslaagde klus wel: wij gaan even de P.C. Hooftstraat in.”
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/09/02102416/data120687371-cf169a.jpg)
Roda ’23
Forgweh was eigenlijk voorbestemd voor een heel andere carrière. „Ik heb twaalf jaar geleefd”, zegt hij. „Toen hoorde ik dat ik kon voetballen. Dat is iets dat je van een ander moet horen.” Die ander, dat was een trainer van Amstelveense voetbalclub Roda ’23, die hem bezig zag op het pleintje voor zijn flat en hem vroeg bij de club te komen. In het begin voetbalde hij voor en na de trainingen nog met zijn vrienden, maar dat werd hem verboden omdat verwacht werd dat hij gescout zou worden door een profclub en hij op straat geblesseerd kon raken.
Hij ging niet beter voetballen bij Roda ’23, zegt hij. „Je natuurlijke talent gaat weg. Je voetbalt alleen nog maar zoals je dat op de club leert. Maar zo leren alle anderen dat ook. Ze zeggen vaak: talenten komen uit Amsterdam en Rotterdam. Nu had ik ook een jongen uit Enschede kunnen zijn die geen pleintjes heeft gekend.” Wat hem ook tegenstond was dat diëtisten bepaalden wat hij at. „Je voelt je anders op school want jij moet kwark eten. En niet eens kwark met iets. Gewoon kwark.”
Op zijn vijftiende werd hij gescout door Vitesse, maar die stage ging uiteindelijk niet door. Hetzelfde gebeurde met De Graafschap. Hij bleef voetballen, op hoog amateurniveau, sinds een jaar bij Odin ’59. Vindt hij het jammer dat het zo gelopen is? „Ik heb veel van voetbal geleerd, vooral omdat ik gefaald heb.”
Forgweh was negen toen hij vanuit Kameroen naar Nederland kwam. Zijn moeder was hem zeven jaar eerder voorgegaan, hij woonde met zijn twee oudere zussen bij een van zijn tantes. In Nederland zag hij zijn jongste zusje voor het eerst. Zijn moeder was niet op zoek naar een beter bestaan geweest in Amsterdam. Haar vader was architect en had een cacaoplantage en zijn twaalf kinderen hadden het „zeker breed”, zegt Forgweh. „Zij wilde het gewoon anders doen dan de rest.” Althans, dat denkt hij – hij heeft het haar nooit gevraagd.
In plaats van een eigen kamer met een tweepersoonsbed deelde hij in Nederland opeens een stapelbed. Hij miste het ‘huismeisje’ dat hij in Kameroen had en dat zich de hele dag alleen om zijn welzijn bekommerde. „Ik was zo verbaasd in het begin. Ik dacht: dit is Europa niet. Mijn zusje dacht dat ik niet kon praten, want ik zei niks.” Inmiddels voelt hij zich vooral Nederlander, maar de naam van zijn merk verwijst naar zijn geboorteland. „Alles wordt daar bush of forest genoemd, ook al is het geen bos. De plantage van mijn opa was de black bush.”
Ik wil alle dromen van mijn moeder waarmaken
Vanwege zijn taalachterstand werd hij op school een klas lager geplaatst. In groep 7 vroeg hij of hij de Cito-toets van groep 8 mocht doen. Hij kon daarna naar vmbo-kader. „Ik haalde daar bijna alleen maar achten. Dus kon ik doorstromen naar het mbo.”
Zijn moeder had niet een baan waarmee ze rijk werd, maar goede cijfers werden beloond met een bezoek aan schoenenwinkel Shoebaloo in de P.C. Hooftstraat, waar hij dan bijvoorbeeld een paar schoenen van Giuseppe Zanotti kreeg, „dat was echt de brand voor mij”. „Ze heeft nooit iets duurs voor zichzelf gekocht”, zegt hij. „Nooit. Dus ik wil alle dromen van mijn moeder waarmaken, de doelen halen die zij nooit heeft kunnen behalen.”
Hennessy
Boven een rekje met kinderkleding hangt in de winkel een foto van een gemaskerde Forgweh tussen Mike Amiri en Adrian Ward-Rees in Parijs. Door de hele ruimte staan op de muren motiverende teksten: ‘Big Dreams Turn into Big Things’, bijvoorbeeld, en: ‘I Love the Game I Love the Hustle’. Op het donkerblauwe T-shirt dat Forgweh draagt staat op de rug: ‘Hold the Vision Trust the Process’. Er staat een professionele dj-installatie opgesteld, in de opslagruimte liggen dozen met flessen frisdrank en Hennessy-cognac: overblijfselen van de ‘weekendstarter’ van vrijdag. Die organiseert hij elke week, „om een community te creëren”.
Het is begin augustus. De winkel, in een achterafstraat in het winkelgebied De Amsterdamse Poort, is precies een maand open voor publiek. Forgweh heeft voldoende omgezet om de huur en zijn personeel te kunnen betalen, zegt hij. Zichzelf betaalt hij niet. Hij leeft van styling van artiesten, gastlessen over mode en jongerenprojecten die hij organiseert voor de gemeente Amsterdam, zoals een talentenprogramma in de zomervakantie. Binnenkort gaat zijn webshop weer online.
Vooral setjes van een roze T-shirt met bijpassende shorts hebben het goed gedaan – roze is de lievelingskleur van rapper Frenna, die in juli zijn jaarlijkse festival 7Fest had. Een wollen varsity-jack met leren mouwen, zijn duurste stuk, heeft hij twee keer verkocht. 795 euro kost het. Ja, dat bedrag, hoog voor zijn segment, strookt niet helemaal met de kritiek die hij op de prijzen van Amiri had, geeft hij toe. „Ik kijk nu als ondernemer. Dit is niet iets dat ik elke week hoef te verkopen. Als ik die prijs niet vraag kom ik nooit in het segment waar ik wil staan. Ooit wil ik een show in Parijs. Maar eerst een winkel in de stad, in de Kalverstraat.”
Hij is gestopt met zijn opleiding en met voetbal, vertelt hij, en dat komt door Amiri en Ward-Rees, die hij inmiddels voor de tweede keer op de Parijse modeweek heeft ontmoet. Niet dat ze hebben gezegd dat hij dat moest doen. „Ze zeiden wel: als je iets doet, moet je het volledig doen. Je bent te ver gekomen om het als een grap te zien.”