De computer heeft voor een revolutie gezorgd in de geschiedwetenschap. Waar historici zich eeuwenlang handmatig een weg moesten ploegen door archieven, is het nu dankzij letterherkenningsprogramma’s en kunstmatige intelligentie steeds vaker mogelijk om in een handomdraai kilometers ingescand papier te doorzoeken. Een mooi voorbeeld hiervan is de website goetgevonden.nl, die maandag online kwam. Belangstellenden kunnen hier snuffelen in de 680.000 politieke besluiten die de Staten-Generaal namen tussen 1576 en 1796.
De software die voor deze klus is gebruikt, ligt ook aan de basis van ‘Oorlog voor de rechter.’ Dit project behelst de online openbaarmaking van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR). In het CABR bevinden zich ongeveer 485.000 dossiers, waarin zo’n 425.000 mensen voorkomen die na de oorlog verdacht werden van collaboratie met de Duitse bezetter.
Op 1 januari van 2025 wordt dit archief op basis van de Archiefwet volledig openbaar. Het plan was om een dag later de eerste 25 procent van de dossiers online te zetten. Afgelopen vrijdag stak minister Bruins (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, NSC) hier echter een stokje voor, nadat hij een formele waarschuwing had ontvangen van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Door deze dossiers digitaal beschikbaar en doorzoekbaar te maken, schendt het Nationaal Archief, dat het CABR beheert, de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) die de privacy van burgers beschermt, aldus de AP.
In een brief aan de Tweede Kamer schrijft Bruins dat hij veel waardering heeft voor de manier waarop het Nationaal Archief met de privacygevoeligheid van het CABR is omgegaan. Met partners als het Joods Maatschappelijk Werk, de Stichting Werkgroep Herkenning voor nabestaanden van verdachten van collaboratie en het Centraal Orgaan Verzetsdeelnemers en Vervolgingsslachtoffers is een afweging gemaakt tussen de belangen van de mogelijk nog levende mensen die in de dossiers - voorkomen en de belangen van de nabestaanden van slachtoffers uit de oorlog.
Omdat de dossiers op naam staan van de verdachten en de namen van die slachtoffers nergens geïndexeerd zijn, is het voor nabestaanden nu praktisch onmogelijk in het CABR op zoek te gaan naar informatie over het lot van familieleden. Een digitale zoekfunctie zou voor hen een wereld van verschil maken.
De waardering die Bruins in zijn Kamerbrief uitspreekt, staat in schril contrast met de strenge toon die de AP aanslaat. Het Nationaal Archief is in juridische adviezen meerdere malen gewezen op de privacyrisico’s die met de digitale openbaarmaking van het CABR gemoeid zijn. Zijn formele waarschuwing was te voorzien en te voorkomen geweest, aldus de AP.
Dat is een pijnlijke constatering voor een project van 24 miljoen euro. De afweging van belangen rondom dit gevoelige onderwerp door het Nationaal Archief heeft er kennelijk niet toe geleid dat alle juridische voetangels en klemmen onschadelijk zijn gemaakt voordat met veel tromgeroffel een publiciteitscampagne werd gelanceerd. Zoiets schept verwachtingen.
Minister Bruins schrijft aan de Kamer dat hij de Archiefwet wil aanpassen zodat digitale openbaarmaking van het CABR alsnog mogelijk wordt. Daar hebben de nabestaanden van oorlogsslachtoffers voorlopig niks aan. Het is te hopen dat het Nationaal Archief hen binnen de marges van de wet nu al zoveel mogelijk faciliteert, bijvoorbeeld door de offline database desgevraagd te doorzoeken.