Terug naar de krant

‘Wát!’ klinkt het als de klas hoort dat er 8.000 liter water nodig is voor één spijkerbroek

reportage
Duurzaamheid Moeten kinderen al horen over de schadelijke kant van textiel? Ja, vindt Race Against Waste, dat voorlichting geeft op scholen. Gaan ze nu minder kleding kopen? „Ik koop al tantoe weinig.”
Leeslijst

Veertig leerlingen van groep 7 en 8 wiebelen nog met hun handen. Ze komen uit een drumworkshop en schuifelen het lokaal binnen. Nu moeten ze de concentratie opbrengen voor een uur voorlichting over textiel.

Voor de klas wacht Pepijn Rademakers (34) ze op. Hij is te gast bij de Olijfboom in Almere en gaat de kinderen uitleggen „wat er aan de hand is met textiel”. De grote milieu-impact, de CO2-uitstoot, het immense waterverbruik en de slechte arbeidsomstandigheden. Moeten kinderen daar ook al van weten? Race Against Waste vindt van wel.

De organisatie ontstond toen de (destijds) twintiger Timmy de Vos uit Eindhoven in 2014 een prijsvraag won over een oplossing voor elektronica-afval: hij bedacht een inzamelrace. Met de 10.000 euro kon hij website opzetten en een eerste race organiseren. Inmiddels geeft Race Against Waste voorlichtingen over textiel, elektronisch afval en energieverbruik aan scholen door heel Nederland. Vorig jaar kregen 180 bovenbouwklassen voorlichting over textiel, in totaal kregen zo al 535 klassen een voorlichting, zo’n 16.000 leerlingen.

Scholen krijgen een uitnodiging om mee te doen, docenten kunnen hun klas aanmelden. Na een eerste voorlichtingsles gaan de kinderen met hun ouders en buren textiel inzamelen om het met elkaar te ruilen, te repareren of naar de textielbak te brengen. Daar krijgen ze punten voor, en onderling nemen de scholen in een regio het zo tegen elkaar op.

Vorig jaar kregen 180 bovenbouwklassen voorlichting over textiel, in totaal kregen zo al 535 klassen een voorlichting, zo’n 16.000 leerlingen

Steevast beginnen de lessen met een voorlichting over hoe vervuilend textiel eigenlijk is. Moet kinderen zo jong al een schuldgevoel worden aangepraat over kleding? Meestal kopen ze nog geen kleding, dus hebben niet bijgedragen aan de afvalberg – in ieder geval niet bewust. „Dit is de generatie die binnenkort begint met zelf kleren kopen”, zegt Rademakers. „We hopen ze nu al positief te beïnvloeden.”

Gordijnen en knuffels

Textiel, „wat ís dat eigenlijk?”, vraagt Rademakers, vandaag de gastdocent, zijn leerlingen om de les af te trappen. „Dat zijn alle kleren, schoenen en slippers, volgens mij”, zegt Arashk (12). Anderen noemen handdoeken, handschoenen, mutsen. „Alles wat van stof gemaakt is”, zegt Rademakers. „Dat is niet alleen kleding.” Ook dekens, kussenslopen, gordijnen, handdoeken, knuffels.

Volgende vraag: wat doen leerlingen en hun ouders met oud textiel dat ze niet meer gebruiken? Ze blijken het aan zusjes en broertjes, neefjes en nichtjes te geven. Het Leger des Heils wordt genoemd. Een meisje geeft het aan familie in Suriname.

„Supergoed”, zegt Rademakers. „Wat nog heel vaak gebeurt, en dat doen we misschien allemaal weleens, is dat mensen iets in de prullenbak gooien. Waarom is dat niet goed? Denk bijvoorbeeld een sok waar een gat in zit. Wat doen ze daarmee?”

„Ze gaan het verbranden”, zegt Joshnika (11), een meisje dat voor in de klas zit met een roze jurk en roze bril.

„Ja ze verbranden het”, zegt Rademakers. „Dat is niet zo goed voor het milieu. En dan is het textiel weg, hartstikke zonde. Want als we het in de textielbak op straat gooien, kunnen ze er misschien iets nieuws van maken.”

Nog beter dan weggooien is repareren, bespreekt hij met de kinderen, sommige moeders of oma’s blijken nog kleren te repareren – of mutsen en sjaals te breien. „Repareren is supergoed”, zegt Rademakers. „Daarmee zorgen we dat textiel zo lang mogelijk gebruikt kan worden. En dan hoeven we veel minder nieuw te kopen. Waarom dat belangrijk is, gaan we uitzoeken. Jullie mogen straks in je eigen kleding op zoek gaan naar labels. Dan kunnen we zien waar jouw kledingstuk van gemaakt is, en wáár die gemaakt is.”

Imani (11) draagt een grijze sweater met ‘Brooklyn’ erop. Ze draait het label om. Het kledingstuk is van de Chinese webgigant Shein en bestaat uit ruim 80 procent polyester, 20 procent katoen. Gemaakt in Indonesië. Naast haar zit Tiya (12) met een bruine trui van de Primark, 99 procent polyester.

Leerlingen van basisschool de Olijfboom in Almere krijgen les over de oorsprong van hun kleding en de milieu-impact daarvan.

Foto’s Bram Petraeus

Veel kinderen vinden polyester op hun labels. „Dat zijn eigenlijk allemaal hele kleine stukjes plastic”, zegt Rademakers. „Het wordt ook veel bij fleecevesten en sportshirts gebruikt. Een synthetische stof noemen ze dat, een heel moeilijk woord. Wie heeft er nog wat anders gevonden?”

„Cotton”, zegt een meisje. „Dat is Engels voor katoen”, zegt Rademakers. „Wie heeft er nog meer katoen gevonden in zijn kleding?”

De meeste handen gaan omhoog. Rademakers laat de klas foto’s zien van de katoenplant. „Van die takken met witte bolletjes eraan. Van die bolletjes maken ze uiteindelijk heel veel van onze kleding.”

Geen plastic, maar ook met die katoenplant „is iets aan de hand”, zegt Rademakers. „Want voor katoen hebben we ook iets nodig: heel veel water. Om één spijkerbroek te maken, hebben we 8.000 liter water nodig.”

„Wát!”, klinkt er uit de klas.

„Dat is hartstikke veel. Van dat water kan iemand 4.000 dagen drinken”, zegt Rademakers.

„Waarom hebben ze zoveel water nodig?”, vraagt Tiya (12).

„Nou, om die planten water te geven”, zegt Rademakers. „Daarnaast gebruiken ze ook in de fabrieken nog heel veel water. Als wij nou gewoon zorgen dat we de broeken, de T-shirts, alles wat van katoen gemaakt wordt, veel langer gebruiken, dan is er dus ook veel minder water nodig om al die nieuwe dingen te maken.”

Zo gaat de les verder, en komen de bestrijdingsmiddelen aan bod die nodig zijn om de katoenplant beter te laten groeien. Gif dat weer in de bodem terechtkomt.

Bangladesh

Op een wereldbol lokaliseren de kinderen de landen uit hun labels. Dylan (10) is het beste in topografie en mag voor de klas komen om dat te doen. Turkije en China kan hij vinden. Maar Bangladesh, waar ligt dat ook alweer?

Waarom maken ze dat allemaal dáár, vraagt een meisje. „Daar is het heet en hebben ze katoen”, legt Joshnika haar klasgenoot uit.

Via verre landen gaat de les naar werkomstandigheden. Rademakers zet een item op van het Jeugdjournaal. Op beeld verschijnt Mohammed, hij is „pas dertien jaar”. Hij maakt de hele dag T-shirts, aldus de voice-over. Hij werkt er „zes dagen per week” en „wel tien uur per dag”. Er is geen tijd om te spelen en aan het eind van de werkdag is hij „heel erg moe”.

De kinderen in de klas zijn stil van het verhaal van hun leeftijdgenoot.

Aan het eind van de les zeggen ze het „jammer” te vinden dat nieuwe kleding slecht is voor het milieu. Gaan ze nu ook minder kopen? Mwah, dat weten ze nog niet. „Nee, ik koop al tantoe weinig”, zegt een jongen.

Foto Bram Petraeus

Als ze kleren kopen op deze leeftijd is het meestal met hun ouders. En vaak online, ze noemen webwinkels als Zalando of die van Adidas. Zoals Saira (10), die er hip uitziet met korte dreads, sneakers en grijze broek met stoere zakken. Ze koopt „winterkleding, rokken, shirts. Met mijn moeder op internet.” Ze houdt van winkelen. „Dingen die in zijn.” Wat vindt ze ervan dat het slecht voor het milieu is? „Shame”, zegt ze. „Het is zo leuk, en dan gebeurt dat.”

Een verdrietig verhaal over kinderarbeid, zijn deze kinderen daar niet wat jong voor? „Soms zijn kinderen daar kritisch over”, zegt Rademakers. „Dan zeggen ze: wat kunnen wij er hier nou aan doen dat kinderen in verre landen moeten werken? Ik leg dan uit dat zij dat niet kunnen oplossen, dat moeten grote mensen doen. Maar we kunnen wel zorgen dat er minder kleding gemaakt hoeft te worden in dit soort landen.”

Het doel is zeker niet dat een kind van 10 jaar nooit meer kleding durft te kopen, zegt Rademakers. „Maar we proberen ze bewust te maken.” En laten zien dat er alternatieven zijn: zo wil hij tweedehandskleding bijvoorbeeld „normaliseren”. „Als wij ernaar vragen noemen kinderen dat vaak gek en raar. Wij willen juist duidelijk maken dat het supergoed en normaal is.”

Tweedehandskleding vinden kinderen vaak gek en raar
Pepijn Rademakers (34) projectmanager bij Race Against Waste

Ook repareren moet normaler worden. „Wat mij verbaasde, was dat sommige kinderen nog van hun ouders leren om kleren te repareren”, zegt Rademakers. „Maar klasgenoten weten meestal helemaal niet van elkaar dat ze dat kunnen. Wij willen ze op een voetstuk plaatsen door te zeggen hoe tof dat is.”

Eerdere campagnes waren meer gericht op het inzamelen voor de textielbak, als beter alternatief dan in de prullenbak gooien. Maar sorteerders in Nederland merken dat er steeds minder vraag is in de wereld naar tweedehandskleding uit Nederland. Afgedankte kleding hoopt op, sorteerders moeten extra loodsen huren of zelfs extra kleding verbranden.

In overleg met sorteerders en gemeenten laat Race against waste het in de onderlinge race tussen scholen minder om inzamelen draaien. „We gaven al meer punten als kinderen hun omgeving voorlichting geven over consuminderen, of kleding met elkaar ruilen of repareren, dan als ze kleding verzamelen voor de textielbak”, zegt Rademakers. „In sommige gemeenten geven we, in overleg met sorteerders, volgend jaar helemaal geen punten meer voor inzamelen in de textielbak.”

Deze klas heeft vier weken na de voorlichtingsles 460 kilo textiel ingezameld, veertig Marktplaats-advertenties gemaakt om kleding weg te geven, een YouTube-video gemaakt over consuminderen en een kledingruil georganiseerd op school. De winnende klas uit Almere (van basisschool de Verwondering) zamelde 2.000 kilo in en zette 1.200 advertenties op Marktplaats.

Volgend jaar gaat Race Against Waste weer bij zo’n 180 scholen langs. Voor het eerst ook middelbare. Rademakers: „We verwachten deze leerlingen nog meer aan het denken te zetten over aankopen die ze zelf al doen met bijvoorbeeld kledinggeld.”

50
stuks kleding kopen Nederlanders gemiddeld per jaar
270
kilo CO2-uitstoot wordt jaarlijks veroorzaakt met de aankoop van textiel per gemiddelde Europese burger
400
vierkante meter landoppervlak was er in 2020 nodig voor de textielconsumptie van een gemiddeld persoon in de EU
305
miljoen kilo kleding, schoenen en linnen gooien Nederlanders samen jaarlijks weg
(Bronnen: Milieu Centraal, onderzoeksbureau FFact en het Europees Milieuagentschap)
Een versie van dit artikel verscheen ook in de krant van 11 januari 2025.

Mail de redactie

Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?

U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.

Maximaal 120 woorden a.u.b.
Vul je naam in