Terug naar de krant

Tuinontwerper Piet Oudolf: ‘Als planten me in de weg zitten, of als ze niet luisteren, daar heb ik een ontzettende hekel aan’

interview

Wijzer Tuinontwerper Piet Oudolf (77) werd bekend door zijn tuinen in openbare ruimtes over de hele wereld. Wat hij leerde in het leven: mooi plus mooi is mooier en als je niet kunt winnen is een competitie alleen maar tijdverlies.

Leeslijst

„Toen we hier in 1982 in Hummelo een kwekerij van vaste planten begonnen, verkocht mijn vrouw Anja de planten en ik was heel hard aan het werk om het hier op te bouwen, er was hier niets. Tuinontwerpen, daar kwam ik helemaal niet aan toe. Ik ging de tuin in om te wieden, dan stond ik te zaaien, ’s avonds na het eten meteen weer de tuin in om te wieden of een pad te leggen, of te stukadoren in huis – dat ging jaren zo door.

Ik had eigenlijk geen richting. Ik was plantengek en ik dacht: we gaan hier planten kweken, dan kunnen we tuinen ontwerpen. Maar ik had geen klanten. Haha. Ik had geen tijd om daar over na te denken. Er was alleen maar de weg vooruit. Je zou nooit adviseren om het zo te doen. Maar als je het zo niet had gedaan dan was je nu niet waar je was. Zo word je wijs.

Anja en ik ontmoetten in die tijd Henk Gerritsen, met wie ik later het boek Droomplanten heb gemaakt. Hij was een wilde-plantenliefhebber en -expert, hij was eigenlijk de eerste die wat meer zag in een tuin dan alleen maar bloeiende planten. We zaten dan met hem en zijn vriend te filosoferen en dan ging het over waarom zou je die planten nou terugknippen als ze in het zaad komen, die zaaddozen zijn ook mooi en geven weer voedsel voor insecten en vogels. Niet dat ik dat toen geloofde. Ik reisde in die tijd met Anja veel naar Engeland en daar gingen we alle beroemde tuinen bezoeken, al dat mooi gedecoreerde groen, bloeiende borders met eenjarigen, dat vonden we prachtig.

Maar mede door die gesprekken begon ik het belangrijk te vinden dat er het hele jaar iets te zien was, niet alleen in het voorjaar en de zomer. Ik las boeken over tuinontwerpen die uitlegden hoe je een border moet aanleggen, maar ik dacht steeds: ik kan niet vatten hoe je daar een soort ritme in moet krijgen. Planten zijn moeilijk, de ene bloeit in mei, de ander in juni en de volgende in augustus. Ik ben het zelf gaan uitzoeken en op een gegeven moment viel het kwartje. Maar als je wilt dat er steeds iets te zien is, moet je wel eerst een jaar wachten om te zien hoe het uitpakt.

Ik kom uit een horecagezin, we waren altijd gewend aan een soort vrijheid en zelfstandigheid. Ik had verschillende baantjes en toen kwam ik bij een hovenier te werken en daar merkte ik dat ik een relatie heb met planten. Ik dacht al gauw: ik kan een tuin tekenen, ik kan met mensen praten, ik kan een offerte maken dus ik kan het zelf ook, ik hoef niet bij een baas te werken. Anja werkte toen op de midgetgolfbaan dus die verdiende nog wel iets. Het was wel onzeker, maar twijfelen doe je sowieso. Ik ben naar de avondschool gegaan om m’n papieren te krijgen, en een jaar voor ik m’n diploma haalde, ben ik voor mezelf begonnen.

Ik heb met sommige planten wat minder op. Als ze niet luisteren, daar heb ik een ontzettende hekel aan

Ik ben planten gaan zien als een manier om mezelf uit te drukken. Ik heb wel eens wat minder op met sommige planten, als ze me in de weg zitten, of als ze niet luisteren, daar heb ik een ontzettende hekel aan. Maar in principe zit in alle planten wel iets voor een rol of bijrol. Je moet alleen bedenken waar ze kunnen staan.

Ik heb gaandeweg geleerd te kijken, schoonheid te zien in dingen die op het eerste gezicht niet mooi zijn. Ik houd wel van een tuin maken bij een mooi gebouw of in een mooie omgeving, of bij iets interessants. Je probeert natuurlijk altijd iets mooier te maken met je eigen werk, maar ik vind: mooi plus mooi is mooier. Het gaat mij echt wel om esthetiek. Ik denk dat ik daarom dit jaar de Sikkens Prijs heb gekregen, voor kleurgebruik. Daar zit een artistieke kant aan, dat vind ik wel leuk.

Begin jaren negentig kwam hier een groep Zweden op bezoek omdat dat boek Droomplanten in het Zweeds vertaald was, en die zeiden: ‘Piet, we gaan iets organiseren, we nodigen nog een paar Nederlanders uit en een groep Engelsen en jij moet een lezing geven.’ Ik had nog nooit een lezing gegeven en mijn Engels was heel beperkt, ik vond het doodeng. Maar toen dacht ik: als ik dit niet doe, dan ga ik nooit de grens over. Net als toen ik naar Hummelo ging: als je het nu niet doet, gebeurt het nooit. Dat is wel mijn leefregel.

Tuinen in openbare ruimtes, dat is waardoor ik bekend ben geworden, dat deden tuinontwerpers voor mij niet. Parken waren altijd groen met wat bomen en heesters, geen vaste planten. Dus die manier van ontwerpen viel op. In 2000 kreeg ik een uitnodiging of ik mee wilde doen aan een competitie voor The Lurie Garden in Chicago. Ze stuurden een lijst met deelnemers en ik zag daar beroemde landschapsarchitecten op staan. Toen heb ik gezegd dat ik niet mee kon doen. Wat planten betreft kan ik ze allemaal aan, durfde ik wel te zeggen, maar qua architectuur kan ik het toch niet winnen van die mensen. Als je niet kunt winnen is een competitie alleen maar tijdverlies. Toen zeiden ze: waarom probeer je het dan niet met een van hen samen te doen? Dus ik heb meteen de sterkste gekozen en toen hebben we die competitie gewonnen. Dat was een mijlpaal in mijn leven! Ik ben ’s avonds in m’n eentje met een taxi naar een heel leuk restaurant gegaan en heb dat met mezelf gevierd.

Voor The Lurie Garden heb ik een beplanting gemaakt die in aanleg eigenlijk vrij traditioneel was, maar daar kwam ik in aanraking met mensen die prairies restaureerden. Ik heb daardoor bedacht: ik ga ook een soort prairie-simulatie maken. Mensen die in Chicago in een appartement wonen die kennen de prairie helemaal niet. En dat kwam weer goed uit toen ik gevraagd werd voor de High Line, een voormalige spoorlijn in New York waar ze iets mee wilden doen. Dat was wel groot, maar ik dacht toen: als ik 100 meter wilde beplanting kan maken, dan kan ik ook 2 kilometer maken. Je moet steeds sprongen nemen. Er is iets in me, dat voel ik heel sterk, er is iets in het leven waardoor ik beslissingen heb genomen die een ander niet heeft genomen en daardoor zit ik nu hier.

Door zo’n High Line ben je dan ineens beroemd. Ik ben liever gewoon. Ik ben geen bekend gezicht, dat scheelt wel een hoop, ik voel me ongemakkelijk als mensen zich zo gaan gedragen van: ‘Hé dat is ’m.’ Belangrijker is dat de opdrachtgever een aardige man of vrouw is, en wat vooral belangrijk is, is dat je werk gewaardeerd wordt. Soms willen ze alleen maar je naam gebruiken hè.

Ik heb zo’n ongebreidelde controledrift. Ik moet er zelf om lachen. Dan staan die planten nog in potjes voor ze de grond in gaan, er staan dus 20.000 potjes op de grond, en daar loop je langs en dan zeg ik: die plant íets naar links, die nog iets meer naar de kant. Een potje met een plantje dat later zó groot wordt, dus het maakt niets uit, maar ik kan het niet laten. Als je voelt dat het niet goed is, dan moet je zorgen dat het anders wordt.”

Foto’s Piet Oosterbeek

Een versie van dit artikel verscheen ook in de krant van 1 oktober 2022.

Mail de redactie

Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?

U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.

Maximaal 120 woorden a.u.b.
Vul je naam in