Terug naar de krant

Tussen de foto's van zijn overleden tante ontdekt Herbert het moment dat de oude vrijster heel even wél gelukkig was

fictie
Voorpublicatie Herbert ruimt het huis leeg van een tante die hij nooit heeft gekend. Hij denkt dat zij al met al acht jaar gelukkig was. Voorpublicatie uit De lotgevallen, de nieuwe verhalenbundel van bestsellerauteur Sacha Bronwasser waar kunst de prominentste rol tot nu toe speelt.
Leeslijst
Foto Thomas Bennen

Dit was altijd een fatsoenlijke buurt. Een forensenbuurt; om half acht ’s ochtends slokten de trams kantoorpersoneel, leraren en verpleegkundigen op, om hen aan het einde van de dag weer terug te geven. Inmiddels was het er ook een komen en gaan van studenten geworden, maar als ambtenaar kon je er nog steeds prima wonen. In 1980 huurde de alleenstaande mevrouw S. van Zanen, zevenendertig jaar, de bovenwoning in de M.H. Trompstraat.

Ze werkte op de afdeling Juridische Zaken van de gemeente, waar ze zich boog over de ophanden zijnde opdeling in stadsdelen. Na het ziekbed en overlijden van zowel vader als moeder stond niets een verhuizing naar Amsterdam in de weg. De opbrengst van het ouderlijk huis in Landsmeer werd verdeeld tussen haar en haar al jaren geleden naar de Verenigde Staten geëmigreerde zuster, die niet op de begrafenis was geweest; Sally en Herbert waren net geboren en de reis was duur.

De woning keek uit op een dwarsstraat. Het licht dat daardoor royaal binnenviel beviel haar, evenals de straatnaam van de zeeheld. Admiraal Tromp, met zijn krullen en ronde ogen, de held van die pistolen in het Rijksmuseum waar vader haar als klein meisje eens op gewezen had; een mens kon het slechter treffen met een adres. Toen de mogelijkheid zich in 2000 voordeed, kocht ze het van de woningbouwvereniging voor 180.000 gulden. Een hypotheek was niet nodig.

Herbert staat in de vroege zomer van 2021 naar de etage te kijken vanaf de stoep. Daar moet het zijn; een kleine woning, ingebouwd door net zulke kleine woningen, in een straat vol poppenhuizen. Vier ramen breed is het. Vier ramen voor een uit het niets opgedoken familielid. Het middaglicht valt in vlekken op de gevel. Hij wil zich voorstellen dat ze de deur uit komt, een echt mens, met een echt leven. Nederlandse tante Stella. Een iets oudere kopie van zijn moeder? Was ze net zo gemiddeld van lengte geweest en slank, of juist niet? Net zo kortaf in haar bewegingen? Het plaatje kost hem moeite. Zijn moeder was naar eigen zeggen een enig kind geweest dat „het verleden achter zich had gelaten”; dat beeld pas je niet zomaar aan. Zijn hand, met daarin de vreemde sleutel, steekt in zijn broekzak.

Rond twaalven had de begrafenis plaatsgevonden. Behalve de uitvaartbegeleider en twee medewerkers van De Nieuwe Ooster, die de kist op een rijdende baar naar de al jaren geleden gereserveerde plaats brachten, was de Amerikaanse neef de enige aanwezige geweest. De medewerker met amberkleurige ogen stelde hem gerust vanachter haar mondkapje. „In these times, sir, all funerals are small.” Ze luisterden een tijdje in stilte naar de ruisende populieren. Toespraken noch muziek gewenst. Daarna knikte Herbert naar het graf, bedankte de aanwezigen en wandelde naar buiten. Dit afscheid was hem vreemd te moede. Er waren geen ijkpunten. Geen koffie, geen gedempte gesprekjes, niet die lichte-en-toch-zware-post-teraardebestellingssfeer. Er was een mens uit zijn stamboom opgedoken en weer verdwenen en niemand had het gemerkt. Op een bankje tegenover de portiersloge van het complex belde hij zijn tweelingzus, die net wakker werd aan de oostkust.

„Hoe was het?”

„Ja, wat zal ik zeggen… een dolle boel. Nee, het was prima zo. Sober, natuurlijk.” Hij pakte een sigaret uit zijn binnenzak, stak op, inhaleerde. Hij wist dat ze het hoorde.

„Ja, da’s Europa, hè.” Sally vroeg niet verder.

Herbert wachtte tot een groepje zachtjes jammerende vrouwen in kleurige gewaden buiten gehoorsafstand was. „Ik weet niet… het was raar om mama’s meisjesnaam op het bord te zien staan. Ze heeft dus echt een zus gehad.”

„Zo triest.”

„Ik bedoel, ik vraag me toch de hele tijd af of er wel iemand in die kist lag. Of-ie niet gewoon leeg was.”

Yeah… well.” Sal was zo te horen al ergens naar op weg.

Herbert trapte de halve sigaret uit met zijn hak, stond op om de peuk in een prullenbak te gooien. De Nederlandse zon was aangenaam, niet zo heet als thuis. Er speelde een zoel windje met zijn dunne haar. Zijn spooktante was tenminste in een mooi seizoen overleden. „Ik ga nu naar het huis, bel je morgen weer.”

Esther Tielemans: Scenery (Our House), 2021. Installatie van carwrap-folie op gevel i.o.v. Welcome Stranger
Foto Thomas Bennen

In het huis hangt een stilstaande, kartonachtige lucht. Herbert staat in het halletje met het gevoel ingebroken te hebben. Een aarzelend „hallo?” ontsnapt hem. Dan loopt hij door het schemerige driekamerappartement. Hij vindt gordijnen die hij opzijschuift en balkondeuren die, na enig kracht zetten, met een plakkerig geluid opengaan. Het geluid van kwinkelerende vogels in de binnentuin drijft met de verse zuurstof naar binnen.

Zijn tante is op de priklocatie bij de RAI – vóór de vaccinatie, is hem verzekerd – in elkaar gezakt, naar een ziekenhuis gebracht en daar overleden. Een hersenbloeding. In het huis is alleen een ambtenaar geweest die op het notenhouten dressoir een mapje met alle benodigdheden heeft gevonden: testament, verzekeringen, bankpapieren, adressenlijst. Geen kamerplanten die konden verpieteren, geen kat of parkiet die kon verhongeren, alle kasten gesloten en in de prullenbak alleen een halfvol, verdroogd koffiefilter. Ze heeft het huis achtergelaten alsof ze op reis ging. Zijn moeder was ook zo, denkt Herbert. Zo altijd op alles voorbereid.

„Ik denk wel dat ik er een paar dagen aan vastplak”, zegt Herbert de volgende middag. „Het is allemaal heel netjes hier, maar het is ook nogal, eh… veel. Je hebt geen idee, Sal.”

„Nee, gelukkig niet.” Sally loopt door haar huis met haar oortjes in, Herbert hoort het espressoapparaat. „Ik vond het huis van papa leegruimen en meteen daarna dat van mama echt genoeg voor mijn hele leven. Daar hoeft het huis van een oude vrijster niet bij. Blij dat jij het doet.”

Ze heeft het huis achtergelaten alsof
ze op vakantie ging. Geen kamerplanten die konden verpieteren, geen kat of parkiet die kon verhongeren

„Ik vind het niet erg. En het archief is nu toch dicht, ik kan dat werk ook in een paar uurtjes per dag online doen vanuit hier. Ik kan die vlucht vast wel verzetten.”

„Nou, jij liever dan ik.”

„Het lijkt wel of ze alles bewaard heeft. Echt alles. Ik app je straks een foto die ik heb gevonden, ze leek niet echt op mama. Wel op die ene foto van opa. Zo’n lang gezicht, haar met een slag, die kruin op het voorhoofd…”

„O, wauw. App maar, ja” „… en weet je wat, Sal?”

„Nou? Verrassingen? Geld in een oude sok?”

„In de gang hangen foto’s van ons. Die babyfoto’s, weet je, van jou en mij op dat vachtje? Die. En ook een afdruk van ons in het park met papa, waar we net kunnen lopen, met die witte schoentjes.”

„Echt? Hoe kwam ze daar nou aan?”

„Geen idee. Ze hebben blijkbaar nog wel een tijdje contact gehad.”

„So sad. Beetje creepy, ook wel.”

In de kleine zijkamer staat een vreemde platte wandkast, die bij het openen een opklapbaar logeerbed prijsgeeft. De scharnieren kraken en een beetje luchten kan geen kwaad, maar hij denkt al snel: waarom niet. Technisch gesproken is het huis nu voor de helft zijn eigendom, zijn zus vindt het vast niet erg als hij hun erfenis niet aan hotelovernachtingen spendeert. Hij verzet zijn terugvlucht, haalt zijn koffer uit het Radisson en neemt zijn intrek in de Trompstraat.

Zijn tantes bed, een twijfelaar, heeft hij al op laten halen door een kringloopwinkel. Zonder bed oogt de slaapkamer ineens als een anachronistische walk-in-closet. Hij kan mooi als werkkamer dienen om de spullen uit te zoeken en in dozen te stoppen: kringloop, weggooien, naar de VS sturen. Dat laatste zo weinig mogelijk.

In de woonkamer met de balkondeuren staat een wit kunststof drankmeubel waar een paar mooie flessen in zitten.

Als Herbert zich op die eerste avond een cognac inschenkt, Frapin VSOP, ziet hij hoe de lage zon mooi over de daken aan de overkant strijkt. Stella die zichzelf af en toe een duur glas gunde – ja, waarom niet eigenlijk. Hij laat de stroperige drank in het glas draaien en neemt zich voor het rustig aan te doen. Gewoon elke dag, plank voor plank, kast voor kast, kamer voor kamer, dat moet te doen zijn.

„Je kunt toch alles in één keer op laten halen”, zegt Sally. „Ik vind het niet erg, Sal, nogmaals. Mijn werk kan ik gewoon doen. En je weet dat ik van oude spullen houd.”

Zijn zuster snuift. Daar kan ze zich echt niks bij voorstellen.

Vijfenveertig paar schoenen met middelhoge hakken in een aparte schoenenkast. Twee forse kledingkasten vol, gesorteerd op zomer- en winterkleren. Een voorkeur voor lichte kleuren: roze, gebroken wit, zandkleurig, mint. Een aparte kast voor winterjassen, waaronder een nerts. Stapels linnengoed dat vergeeld is op de rand. Een winterdekbed in een plastic hoes, twee elektrische dekens, vier spreien, één patchwork.

Ruim zeshonderd boeken, alfabetisch gesorteerd en verdeeld in fictie en non-fictie – Nederlandse literatuur van namen die Herbert niks zeggen, twee planken John Grisham in zijn eigen taal en nog een hele voorraad legal thrillers, aan de covers te zien. Geschiedenis, Tweede Wereldoorlog, een Winkler Prins-encyclopedie, hele jaargangen Reader’s Digest, De Consumentengids, Kunstschrift en Tijdschrift voor Geschiedenis. Een kast vol puzzels en spelletjes, houten solitairespel, schaak- en dambord, Scrabble, zorgvuldig ingevulde puzzelboekjes.

De aanwezigheid van de geliefden blaast adem in de kamers, doet de wanden oplichten

Een opgeruimde keuken met een granito aanrecht voor een mensenmaat uit de vorige eeuw. Volledige, in elkaar passende sets tupperwaredozen, rond en vierkant, in zachtgroen en roze. Emaillen pannensets zonder één enkele beschadiging in het motief. Twee complete serviezen in dozen en een set eenvoudige bordjes voor dagelijks gebruik. Koffiezetapparaat, een vergeelde waterkoker, toaster, wafelijzer, passe-vite, eierkoker, eiersnijder, uiensnijder, een apparaat waarvan Herbert de functie moet googelen: een yoghurtmachine.

Hij probeert alle apparaten uit. Een Moulinex-Tomado staande mixer, vrijwel nieuw in de doos, komt op het aanrecht tot leven met geratel en een metalige geur. De kleine Philips-koffiemaler raast warm en ongeduldig in zijn hand. Alles is even goed onderhouden, nauwelijks versleten en nu toch in één klap waardeloos geworden. Hij staat bij elk voorwerp stil, doet alsof hij wikt en weegt terwijl hij weet dat hij vrijwel alles weg gaat gooien. Maar het voelt als het minste wat hij voor zijn tante kan doen, voor Stella, die hem nog steeds een raadsel blijft. Sal noemt haar nu steevast ‘die oude vrijster’, een woord dat hem tegen de borst stuit. Tussen het opruimen door drinkt hij versgemalen filterkoffie op het balkon en verzamelt zijn peuken in een asbak-op-poot met een drukknop om het draaiende deksel te bedienen. Het feilloos werkende systeem bezorgt hem elke keer een vonkje plezier.

Hij vindt het album pas aan het einde van de eerste week. Het bevindt zich achter een rij ordners, op de onderste plank in de gangkast, waar ook de verwarmingsketel hangt en het wasrek staat. Het is een wit album met een gouden randje, geschikt voor een huwelijk of een geboorte. Een verdroogd stickertje dwarrelt naar beneden: 1981-1989.

In de onderschriften heet hij Niek. Op een van de eerste foto’s, een groepsportret van de ‘Stuurgroep stadsindeling’ uit september 1981, steekt hij rechts achteraan boven iedereen uit. Type waaiboom, lang, kalend, een open en jongensachtig gezicht dat zelfs op de kleine zwart-witafdruk het gezelschap schwung geeft. Herberts tante staat diametraal tegenover hem opgesteld, links vooraan, met een verlegen lach en een hand op haar heup. Niets wijst op dat moment op een relatie tussen de twee, of het moet deze bewust grote afstand zijn.

Terwijl Stella in andere albums van hele jaren maar een of twee foto’s bewaard heeft, waaiert haar leven hier ineens uit als kaarten uit de hand van een croupier. ‘Niek’ maakt zijn eerste foto’s van haar in de loop van 1982; een serie kleurenfoto’s van een uitje aan het water, een picknick. Mevrouw S. van Zanen van de afdeling Juridische Zaken draait zich om over haar rechterschouder, een lok haar waait op als een vraagteken. Niek maakt meerdere portretten. Ze is wat onwennig, verlegen, kijkt weg, houdt haar hand voor haar onregelmatige tanden als ze lacht. Er is één foto van hem op die dag: een man zonder masker, verrukt, met in zijn hand de thermoskan die Herbert net heeft ingepakt.

Dat de vijftiger Niek niet beschikbaar is, wordt al snel duidelijk. Al hun ontmoetingen vinden geïsoleerd plaats, in de natuur of in de beslotenheid van een auto. Het nemen van de foto’s moet een zeker risico zijn geweest, dat Herbert bevestigd ziet in de envelop met alle negatieven die achter in het album geplakt zit. Afwisselend zijn er kleurenfoto’s en kleine zwart-witafdrukken die duidelijk zelf gemaakt zijn. Soms hangt er een zilveren zweem over het beeld, niet goed gefixeerd, die het donkerblonde haar van Stella extra diepte geeft.

Ze maken uitjes die steeds meer tripjes zijn – een dagje strand, een dagje museum, een dagje naar een stad met neogotische elementen, Gent of Brugge misschien. Er is een grote afdruk van een gestolen moment op kantoor: Niek heimelijk lachend naar de camera, zijn blik zegt: hou op, niet doen, maar doe het toch maar. Op een paar foto’s wagen ze zich in Amsterdam. Een volle straat: ‘Nieuwendijk’. Een lege zandvlakte: ‘Waterloopl. start bouw’. Op de achtergrond zie je de jaren tachtig terug in de kapsels, de punkers, de zelfgebreide truien en de harde neonkleuren van reclameposters. Maar Stella en Niek zijn te oud om daaraan mee te doen. Ze leggen elkaar vast als jarenzestigrelieken, hun geluk voert ze naar een tijd waarin ze elkaar hadden willen ontmoeten.

Gaandeweg trekken ze zich terug in haar huis. Zitten aan de gedekte tafel voor twee, poseren voor de zelfontspanner. Niek kookt, Stella klikt. Stella doet gek met een bos bloemen boven haar hoofd, Niek klikt. Niek leest in de leunstoel, alsof hij daar dagelijks zit, op de lage tafel naast hem het schaakbord. Nooit zijn ze in gezelschap van anderen. Op de achtergrond is het huis te zien, in dezelfde staat als waar Herbert het in aantrof: daar is de witte salontafel, hetzelfde schilderij boven het dressoir, de Moulinex-Tomado op het aanrecht. De babyfoto’s van Sally en Herbert hangen al op de achtergrond in het halletje. Herbert voelt hoe het huis waarin hij zich nu al dagen bevindt werkelijkheid wordt. De aanwezigheid van de geliefden blaast adem in de kamers, doet de wanden oplichten. De meubels zijn klaar om je op uit te strekken, de ramen laten licht en geuren binnen en Art Blakey klinkt op van de pick-up.

Ergens ‘eind juni ’86’ moet het heel warm geweest zijn. Stella loopt in bikini door het huis. Ze zitten op het balkon, lezen, drinken een biertje, roken – daar is de draaiende asbak. Daarop volgt een drietal pagina’s die met paperclips bij elkaar gehouden zijn en Herbert weet eigenlijk al wat hij gaat zien voor hij ze na enig aarzelen openslaat. Stella, naakt op de rand van het bed, in de deuropening van de keuken, op een kleed in de woonkamer. Ze dwaalt door het kleine appartement en Niek zit haar op de huid. Ze is begin veertig en aantrekkelijker dan ooit, mooier zonder kleren, minder stijfjes. Een vrije, blozende vrouw met een gulzige mond en zachte schouders. Met een holle rug en zware billen waar de camera verliefd langs dwaalt. Ze weet nu zelf ook hoe mooi ze is, het is de fotograaf die het haar vertelt. Ze strekt haar arm naar hem uit, legt haar hoofd in haar nek; op de volgende foto’s zijn de lichaamsdelen moeilijk te definiëren. Een plukje okselhaar, een hand onder een borst, een donkere holte.

Daarna, in ander, later licht, het silhouet van een hoekig mannenlijf op de patchworksprei, met het tegenlicht door de vitrage. Stella moet de camera gehanteerd hebben. Het geluk zit in elke afzonderlijke korrel. Herbert slaat de pagina’s dicht, zijn ogen zijn nat en hij schaamt zich voor zijn lichte opwinding. Hij realiseert zich dat hij nu even oud is als zijn tante toen, in haar glanzende, gepantserde cocon. Op de laatste pagina van het album, kort na een fotoverslag van hun eerste meerdaagse buitenlandse reis samen – Niek in een Bierstube, hij oogt mat, Stella eet een taartje, er is een hotelkamer met een geblokt gordijn – is een rouwkaart geplakt. Gerard Nicolaas overlijdt op 6 oktober 1989, pas achtenvijftig jaar. Zijn echtgenote Elsje, kinderen en kleinkind blijven in diepe droefenis achter en vertrouwen hem toe aan de goede zorgen van de Heer. De uitvaart vindt in besloten kring plaats op De Nieuwe Oosterbegraafplaats. Het kost Herbert geen moeite zich voor te stellen waar het graf zich bevindt. Hoe Stella het graf alleen is gaan bezoeken wil hij niet voor zich zien, maar het gebeurt toch. En hoe ze daarna de tram heeft genomen, hoe het huis haar daarna omarmd heeft als een lichte wollen jas die ze nooit meer uit wilde doen. „Ik denk dat ze heel gelukkig is geweest hier”, zegt hij tegen zijn zus.

„Wat zeg je?” Ze rijdt ergens, verkeer loeit langs haar oortje bij het open autoraam.

„Dat ze gelukkig is geweest hier.” Herbert staat op straat, hij kijkt naar de vier ramen. De contouren van de driekamerwoning tekenen zich af, het huis licht op in het middaglicht. „Denk je? Het lijkt me nogal treurig”, zegt Sally. „Bijna tachtig moeten worden, alleen, je familie niet meer zien, een man die niet voor je kiest en dan ook nog het loodje… Wacht even, Herb. Jongens, hou op met dat geklier, Josh, Mike…”

„Misschien was het gewoon genoeg”, zegt Herbert. „Acht jaar geluk is al met al best veel. Op een heel leven, bedoel ik. Er zijn genoeg mensen die dat niet halen, ben ik bang.” Zijn blik dwaalt langs de baksteentjes, het patroon boven de deur, de raamkozijnen.

„Genoeg? Bedoel je lang genoeg? Ja, dat wel, ze is best oud geworden… Josh, wat zei ik nou… Herb, ik bel je zo –” Er klinkt een claxon, lawaai.

„Ik denk dat ik nog een tijdje blijf, Sal”, zegt Herbert. „Ik bedoel, het huis is van ons, we regelen dat.”

Zijn zus heeft opgehangen.

„Ik breng weg wat weg moet, en verder zien we wel”, zegt hij. „Het is toch corona.” Hij steekt zijn telefoon in zijn zak, voelt de sleutel.

Ja, dat gaat hij doen. Een tijdje blijven. Misschien wel wat langer.

InterviewSacha Bronwasser: ‘Kijken brengt mijn gedachtenstroom op gang’

Dankzij beeldende kunst kan Sacha Bronwasser (55) verhalen schrijven die ze anders niet had bedacht. „Iemand nodigt je, vaak zonder woorden, uit om iets te zien”, zegt ze. „Kijken brengt mijn gedachtenstroom op gang, het is een andere taal om de werkelijkheid om ons heen mee te lijf te gaan.”

Kunsthistoricus Bronwasser werkte jaren als criticus en journalist voor de Volkskrant voor ze fictie begon te schrijven. Haar debuut uit 2019, Niets is gelogen, ging over een intense gebeurtenis in een artistiek milieu. In haar tweede roman, de bestseller Luister, speelde fotografie een grote rol.

In haar nieuwe boek De lotgevallen speelt kunst de prominentste rol tot nu toe. Het boek bestaat uit korte fictieve verhalen naar aanleiding van zestien zeer uiteenlopende kunstwerken zoals Het Melkmeisje van Vermeer (1660), het beeld De Vlecht van de activistische, Grieks-Britse installatiekunstenaar Kalliopi Lemos (2020, het staat aan de Westersingel in Rotterdam) en het onvoltooide sculptuur Kouros van Flerio (Grieks, maker onbekend, zevende of zesde eeuw voor Christus).

Bronwasser: „Het voelt heel vrij om op zo’n manier over kunst te schrijven. Ik hoef me niet af te vragen wanneer het is ontstaan, wat de bedoeling van de kunstenaar was. De vraag is gewoon: wat voor fictie komt hieruit tevoorschijn? De status van de werken doet er niet toe. Dat biedt mij enorm veel, als schrijver en als kijker. Ik hoop met dit boek een lossere omgang met beeldende kunst te bepleiten. Alles wat je er zelf bij bedenkt, is goed.”

Wat maakt dat Bronwasser denkt: dat kunstwerk, daar zit fictie in? „Er moet een element in zitten dat ik niet goed kan vatten. Misschien begrijp ik niet wat ik zie, of begrijp ik mijn reactie erop niet zo goed. Als dat niet gebeurt, is het kunstwerk te gesloten. ”

Geluk is het enige verhaal waarin het inmiddels weggehaalde kunstwerk, Scenery (2021) van Esther Tielemans, niet direct voorkomt. Tielemans, bekend om haar abstracte ‘schilderij-objecten’, bracht tijdens de pandemie een groen, hoogglanzend vlak aan rondom vier ramen van haar eigen huis. „Door die ingreep zag ik opeens een leven, losgemaakt van het geheel. Hoe vaak sta je niet voor een gevelblok en denk je: welk raam is van wie, wat gebeurt hierachter? Ik kreeg vermoedens van een verborgen bestaan, misschien zelfs een gelukkig bestaan, hoe onzichtbaar ook.”

In het verhaal ontdekt Herbert het bestaan van zijn overleden tante pas wanneer hij haar huis leegruimt. „Hij maakt niet echt iets groots mee, maar het is wel een heel intiem moment, met iemand die hij helemaal niet kent. Je kunt een leven bijna reconstrueren aan de hand van alle voorwerpen die iemand verzameld heeft – het soort kleren, de schoenen, wat iemand dronk.”

Tielemans is op de hoogte van het verhaal, zegt Bronwasser. „Ze heeft me bedankt – ze vond het leuk. Al vond ze het misschien ook een beetje raar, dat gekke verhaal over haar werk.”

Een versie van dit artikel verscheen ook in de krant van 5 oktober 2024.

Mail de redactie

Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?

U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.

Maximaal 120 woorden a.u.b.
Vul je naam in