Terug naar de krant

Tussen de verwoestingen van Zuid-Libanon: ‘Dit is niets anders dan wreedheid’

reportage
Oorlog in Libanon In het zuiden van Libanon nemen inwoners en reddingswerkers de schade van de recente oorlog op. Huizen en moskeeën zijn opgeblazen of platgebombardeerd. „Ze hebben zelfs de olijfbomen verwoest.”
Leeslijst

Adnan al-Ahmad (60), een zacht sprekende man met wit haar en een ruitjesoverhemd, zit in een opvangcentrum voor ontheemden in de Zuid-Libanese stad Tyrus. Hij pakt zijn telefoon. „Ik zal je laten zien wat de Israëliërs met mijn dorp gedaan hebben.”

Op het scherm verschijnen videobeelden die Israëlische soldaten op sociale media hebben gezet. NRC kon een aantal van de beelden geo-lokaliseren. Ze blijken inderdaad gemaakt rondom Adnans dorp Al Bustan, aan de Libanees-Israëlische grens.

Eén van de video’s, geschoten met een drone, toont een moskee vlakbij Al Bustan die van binnenuit wordt opgeblazen. In een ander filmpje, dat op TikTok staat en begeleid wordt door oppeppende elektronische muziek, poseren Israëlische soldaten bij huizen die ze hebben ingenomen. Ze staan breed lachend op het balkon en slaan een deur kapot met een moker. Op andere beelden is te zien hoe ze, lachend, een aantal gebouwen opblazen. Na de explosie klinkt gegiechel.

„Mijn hart scheurt open wanneer ik dit zie”, zegt Adnan. Het voormalig schoolhoofd is geboren en getogen in Al Bustan, een dorp met zo’n vijfduizend inwoners. Zijn ouders komen er vandaan, net als zijn grootouders „Het was het mooiste dorp van Libanon, ik overdrijf niet! We hadden prachtig ontworpen huizen en heel veel mooie olijfgaarden. Maar ze hebben zelfs de olijfbomen verwoest.”

Het dorp van Adnan al-Ahmad werd verwoest door Israël. Op zijn telefoonscherm laat hij beelden zien die Israëlische soldaten op sociale media hebben gedeeld.
Foto Hassan Harfoush

Adnan laat een filmpje zien waarop een graafmachine olijfbomen uit de grond trekt. „Wáárom doen ze dit?”, zegt hij. „Ik snap het gewoon niet. We zijn een dorp van boeren en imkers. Ik garandeer je dat er bij ons geen Hezbollah-strijders zaten.”

Is het mogelijk dat die zich na de evacuatie direct na 7 oktober vorig jaar alsnog in het dorp vestigden? Adnan betwijfelt het en ziet hoe dan ook geen rechtvaardiging voor het van binnenuit (en dus ná eventuele gevechten) opblazen van moskeeën en woningen. „Dit is niets anders dan wreedheid”, zegt hij. „Het laat zien dat ze geen vrede willen. Anders doe je zoiets niet.”

Boulevard

Het Israëlische oorlogsgeweld in Zuid-Libanon doet in sommige opzichten denken aan dat in Gaza. Ook hier zijn huizen van burgers met bommen en bulldozers uit de weg geruimd, dichtbevolkte steden als Tyrus en Nabatieh zwaar gebombardeerd en tientallen dorpen, zo blijkt uit satellietbeelden, grotendeels van de kaart geveegd. En ook hier zegt de Israëlische premier Benjamin Netanyahu enkel „chirurgische operaties” uit te voeren tegen terroristen.

Oorlog met Israël is het leidmotief in de recente geschiedenis van Tyrus en Zuid-Libanon. In 1982 vielen de Israëliërs hier binnen om de links-seculiere Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) van Yasser Arafat te verdrijven. In 2006 waren ze terug om Hezbollah aan te vallen. Deze sjiitische strijdgroep wierp zich sinds eind jaren tachtig op als beschermheer van armere sjiieten en als de nieuwe vaandeldrager van het gewapend verzet tegen Israël. Met Iraanse steun legde Hezbollah in heel Zuid-Libanon trainingskampen, wapendepots en militaire basissen aan om Israël aan te kunnen vallen.

Maar Tyrus is meer dan een Hezbollah-basis. De kuststad geldt als het hart van Zuid-Libanon. Het is de plek waar Libanezen uit alle dorpen in het zuiden naartoe komen om uit te blazen. Tot voor kort kon je hier overal aan een shisha-pijp lurken of een ijskoffie drinken met uitzicht op Romeinse tempels en de Middellandse Zee. Tegenwoordig is de keuze beperkter: veel cafés en restaurants langs de boulevard zijn verwoest door de bombardementen.

In de puinhopen van gebombardeerde gebouwen in Tyrus in Zuid-Libanon liggen allerlei persoonlijke spullen. Foto’s Melvyn Ingleby

„De Israeliërs bombardeerden zelfs gebouwen vol vrouwen en kinderen”, zegt Ali, een oudere man die staat bij te kletsen met vrienden in een buurtwinkel. „In het begin gaven ze nog waarschuwingen, daarna niet meer. Het was zenuwslopend.” Niet zonder trots vertelt de grijsaard dat hij al die tijd in de stad gebleven is. „Ik hoopte eerlijk gezegd dat ze zouden binnenvallen, dan hadden we hen te grazen genomen, net als in 1982. Toen vocht ik tegen de Israëliërs met Yasser Arafat.”

Tegenover de buurtwinkel zijn enkele gebouwen met de grond gelijk gemaakt. Daar in de buurt lag een Hezbollah-doelwit, zeggen de mannen, maar de Israëliërs hebben ook de woningen eromheen verwoest. Wie daar precies woonden, valt niet met zekerheid te zeggen, maar tussen het puin liggen de nodige aanwijzingen: kinderschoenen, een damestas, een foto van een echtpaar, een verzekeringspolis, een fles Omo-wasmiddel, een teiltje, een bontjas, een knuffel en een kinderfiets.

Reddingspost

„We hebben veel kinderen onder het puin vandaan gehaald”, zegt Ali Safieddine, hoofd van de Libanese Burgerbescherming in Tyrus. De 42-jarige man zit met zijn collega-reddingswerkers en een Duitse herder voor de deur van de lokale reddingspost. Hij ziet er een stuk ouder uit dan hij is – het is niet voor het eerst dat hij kinderen uit gebouwen trekt. „In de oorlog van 2006 is mijn dochter gedood in een Israëlisch bombardement op onze reddingspost”, zegt hij, terwijl hij een tatoeage van een klein meisje op zijn linkerarm laat zien. „Ik heb haar zelf eruit gehaald. Ze was 18 maanden oud.”

Safiedinne schat dat er in de regio Tyrus alleen al meer dan duizend doden zijn gevallen. Landelijk kostten de Israëlische aanvallen sinds oktober vorig jaar volgens het Libanese ministerie van Gezondheid aan meer dan vierduizend mensen het leven, onder wie 790 vrouwen en 316 kinderen. Onder de totaalcijfers van het ministerie vallen zowel burgerdoden als Hezbollah strijders.

Ali Safieddine staat aan het hoofd een organisatie van reddingswerkers die voornamelijk uit vrijwilligers bestaat.
Foto Hassan Harfoush
Gebombardeerde gebouwen in Tyrus in Zuid-Libanon.
Foto Melvyn Ingleby

„Ons eigen team heeft vijf mensen verloren”, zegt Safiedinne, die benadrukt dat het Israëlische leger ook reddingswerkers aanvalt. Gevraagd of de mannen met elkaar praten om te verwerken wat ze gezien hebben, trekt hij een cynische grijns. „Praten? We kunnen niet praten. Ik kan niet eens ruiken na alles wat ik geroken heb. Je kunt ons allemaal afvoeren naar een gesticht.”

Maar de reddingswerkers moeten door. Nu er een wapenstilstand is, proberen ze lichamen te ruimen in de verwoeste dorpen langs de grens. Israël heeft toegezegd zich geleidelijk uit dat gebied terug te zullen trekken, maar volgens Safiedinne komt daar nog weinig van terecht. „Afgelopen zondag trokken de Israëliërs juist op, van het dorp Tayr Harfa naar Chama. Wij waren daar net aan het werk, maar moesten vertrekken omdat de Israëliërs kwamen.”

‘Herboren’

Het bestand is buitengewoon fragiel. Op maandag werden bij Israëlische luchtaanvallen rondom de stad Nabatieh negen mensen gedood, aldus het Libanese ministerie van Gezondheid. Israël spreekt van een reactie op beschietingen door Hezbollah, maar volgens Israëlische media hebben Frankrijk en de VS gewaarschuwd dat Israël het staakt-het-vuren schendt. De regering van Netanyahu lijkt zich er weinig van aan te trekken: dinsdag dreigde de Israëlische minister van Defensie Katz met een verdergaande oorlog in Libanon. Daarbij zal geen onderscheid gemaakt worden tussen Hezbollah en de Libanese staat, aldus Katz.

Op het plein voor het opvangcentrum in Tyrus zit Khadijeh met haar twee zussen. De vrouwen komen net als Adnan uit het grensgebied en verblijven al ruim een jaar in kleine kamertjes in het centrum, dat gevestigd is in een voormalige school. „Het was heel zwaar, iedere tien minuten werd er gebombardeerd en beefde het hele gebouw”, zegt Khadijeh. „Daarom waren we ontzettend blij toen we hoorden dat er een wapenstilstand zou komen. Het voelde alsof we herboren waren.”

Khadijeh en haar zoon Youssef zijn in de stad Tyrus in een opvangcentrum terechtgekomen.
Foto Hassan Harfoush

Maar de vrouwen kunnen niet naar huis, want de Israëliërs zitten volgens hen nog in hun dorp. Dat is een groot probleem, want over enkele dagen moet de school weer beginnen en worden de ontheemden verzocht elders te bivakkeren. „Ik heb geen idee waar we naartoe moeten”, zegt Khadijeh. Naast haar staat haar elfjarige zoon Youssef. „Vanwege alle verwoestingen is het onbetaalbaar om iets te huren. Ik heb mijn gouden ring al verkocht en heb niets meer. En ik ben gewoon te moe. De stress heeft me opgegeten.”

Ook voormalig schoolhoofd Adnan is voorlopig dakloos. Naast zijn huis in Al Bustan had hij een appartement in Tyrus, maar dat is eveneens gebombardeerd. Hij weet niet wanneer hij terug kan naar zijn dorp en is bang om het onder ogen te komen. „Het enige gebouw dat er nog staat is de school, die gebruiken de Israëliërs als basis”, zegt hij. „Maar ik ben er vrij zeker van dat ze de school ook zullen opblazen wanneer ze vertrekken. Als ze vertrekken.”

Een versie van dit artikel verscheen ook in de krant van 5 december 2024.

Mail de redactie

Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?

U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.

Maximaal 120 woorden a.u.b.
Vul je naam in