Mijn fantasie werkt anders in zomerlicht. Kalmer. Trager. Vriendelijker misschien ook wel. Het komt omdat er meer te zien is en de zintuigen de leiding nemen. Vroeger konden mijn broer en ik op zomerse dagen eindeloos door het bos dwalen, onderweg naar een meer met een steiger waar we vanaf doken, of naar een gebarsten rotsblok dat we beklommen om bovenaan over de kloof te springen. Soms raakten we ver van huis, maar dat gaf niet, donker werd het nog lang niet. Het was een bijzonder licht, dat zomerse schijnsel, zo helder en toch ook gezeefd.
Door het bos struinend bedachten we verhalen over trollen, die we herkenden in zwerfkeien, en dat we als indianen geluidloos konden lopen, maar mijn verbeelding kwam pas echt op gang als we een meer in doken, het troebele water in, vol modderdeeltjes die in goudklompjes veranderden door de zonnesperen die zich het oppervlak in boorden. Hoezeer die bovenste waterlagen ook glinsterden, je zag het licht in de duistere diepte opgeslokt worden. Als we langs een blad van een waterlelie omlaagdoken en die lostrokken (alleen het blad, niet de bloem), kwam er een meterslange glibberige stengel omhoog. Al watertrappelend voelde je de kou van de lichtloze diepte. Je kon beter je tenen niet al te ver omlaag steken, wie weet wat er zou bijten. In die onderste modderlagen kropen dikke waterslangen, vissen met hoektanden, een monster dat niemand ooit zag, maar dat zijn staart omhoog kon zwenken, om je middel vouwen en je de diepte in kon trekken.
Laatst stond ik in het Stedelijk Museum van Zutphen voor een schilderij van een meisje met een olielamp, een gelige vlam verlicht haar gezicht in een donker vertrek. Het bracht mijn kindertijd naar boven. Hoewel het in 1817 door Adriaan Meulemans werd geschilderd leek de sfeer precies die van toen ik in Zweden woonde. Mijn ouders waren al uit elkaar. Mijn vader en mijn moeder, beiden oorspronkelijk Nederlands maar in de jaren zeventig naar Scandinavië getrokken, woonden na de scheiding ieder in een houten huis diep in het Zweedse dennenbos met de vele meren, de gigantische zwerfkeien die er in de ijstijd zijn beland, en hier en daar wat loofbomen. Als je van de geasfalteerde weg de bosweg insloeg, was het nog zo’n twintig minuten rijden over onverharde paden diep het woud in. Om naar school te gaan, moesten mijn broer en ik naar een punt in het bos lopen, waar we door een schoolbus werden opgehaald.
Er was geen elektriciteit of stromend water, noch in het huis van mijn vader, noch in dat van mijn moeder. Het was alsof we daar, verscholen in het Zweedse woud, in een andere eeuw leefden, het ritme van de natuur volgend, in de winter bij kaarslicht of de vlam van een petroleumlamp, op de lange zomerdagen badend in het licht dat door alle kieren drong.
De winterse duisternis die valt over de Scandinavische natuur is een machtig, onbegrensd donker waarin de wereld verdwijnt. Wij woonden niet heel noordelijk, maar toch ving ook daar het donker rond drie uur ’s middags aan. Mijn moeder vond het zwaar, deze korte dagen met temperaturen die tot twintig graden onder nul zakten, met een bevroren waterput en het dagelijkse houthakken voor de kachels. Ook andere volwassenen hoorde ik al in december hun ongeduld uiten, hun verlangen naar licht, warmte en geluid. Zodra de ochtenden zouden opklaren, zouden ook de vogels terugkeren: in de vroege lente de kraanvogels en de ganzen, dan de kwikstaartjes en dan de zwaluwen. Hoe meer licht, hoe meer leven en vogelzang.
Toch heb ik goede herinneringen aan die donkere winters. Alles wat plaatsvond binnen de paar uur dat het licht was, behoorde tot het normale; de dingen gingen zoals ze hoorden te gaan, maar zodra het donker werd, veranderde er iets in de gewoonlijke loop der dingen. Het dansende kaarslicht bracht een gezellige geheimzinnigheid, het bracht ons dichter bij elkaar, met z’n allen rond de tafel, of bij een olielamp om nog wat te kunnen lezen of tekenen. Achter onze ruggen begon de duisternis. Ook die lonkte, je kon je gemakkelijker verschuilen, volwassenen zagen niet alles wat je deed. Harde lijnen, omgrenzingen, afbakeningen vervaagden.
Duisternis wordt geassocieerd met niet weten, niet zien is niet kennen. We noemen de vlucht naar kennis niet voor niets de verlichting. En als we ergens niet uitkomen, tasten we in het duister. In het donker sluit de ruimte zich. Maar met dit sluiten, is er iets anders dat zich opent, een droomachtig, associatiever denken.
Mijn broer heeft mij vaak gezegd dat ik zo nostalgisch kan doen over onze kindertijd omdat ik op tijd wegging. Toen ik met mijn moeder naar Nederland verhuisde, ik was acht jaar, bleef hij in het bos bij mijn vader wonen. Hij zou er ook zijn tienertijd doorbrengen. Alle ongemak ging hem tegenstaan: de afstand tot de bewoonde wereld met vrienden en vertier, de onverharde wegen en vooral het ontbreken van elektriciteit.
Ik woonde inmiddels in de stad, eerst in Amsterdam, daarna in Den Haag, het leven met mijn moeder was avontuurlijk, we verhuisden verschillende keren en ze wist van iedere woning met minimale middelen een fantastische plek te maken. Maar de ruige Zweedse natuur bleef ik missen. Aan het terugverlangen naar het bos kon ik me gemakkelijk overgeven, om maar niet dat andere gemis, van mijn vader en broer, te hoeven voelen.
Tijdens het schrijven aan mijn roman En toen ging hij (2023), die zich in Zweden afspeelt, huurde ik een huisje aan een meer, in hetzelfde bos waar mijn vader nog altijd woont. Ik bracht er in juli een paar weken met mijn veertienjarige zoon door. Omdat ik nu rondkeek met mijn roman in gedachten, lette ik beter op; zoekend naar woorden om alles wat ik zag zo precies mogelijk te portretteren.
De veelkleurige libellen die als gevechtsvliegtuigjes door de zomerlucht zwenken herinnerde ik me natuurlijk wel, maar ik bekeek nu pas nauwkeurig de ogen met de tienduizenden lensjes en dat lange achterlijfje, dat wel een papieren rietje leek, bamboe-achtig opgebouwd, waarin ik de ademhaling kon zien. Als een teer blaasbalgje bewoog het in en uit.
In de avond, als de zon al achter de bomen was verdwenen, bleef de hemel nog uren licht. De Zweedse dichteres Karin Boye (1900-1941) typeerde de zomerschemering als ‘bleke oneindigheid’. De lange dagen voelen als een uitnodiging om beter te kijken. Maar je kunt niet kiezen wat je ziet. Turend langs de bomen, hoop je op het ontwaren van een eland of een lynx, je weet dat ze er zijn, maar je ziet ze niet. En terwijl je verlangt naar het zien van die paar zoogdieren, mis je wat zich vlak voor je afspeelt: twee dagpauwoogvlinders die met elkaar dansen, het paars van een lupine dat oplicht tegen het groen. Echt zien wat er is, vraagt om een combinatie van onbevangen openheid en concentratie. Een balans die mij niet als vanzelf afgaat. Ik ben een dromerige kijker en moet mezelf erop wijzen goed te kijken.
Naast het zomerhuisje was een houten steiger aan het meer. Ik lag er, precies zoals ik dat vroeger deed, op mijn buik op en keek door de spleten tussen de planken. Onder me zag ik de schaatsenrijders op het water balanceren. Ze leken op gespierde muggen, vier uitgestrekte pootjes in een perfecte piramidevorm, het water boog lichtjes onder iedere poot, alsof ze op een trampoline stonden. En dan gingen ze er plotseling vandoor, met onverwachte halen van de voorpoten, die ze over het water deden glijden als speelgoedbootjes die steeds een zetje krijgen. Ik onthield wat ik zag en zocht de woorden.
Ook wilde ik precies onthouden hoe het licht op de golfjes van het wateroppervlak viel: aan de kant van de rimpelingen die door de laaghangende zon werd aangeraakt glansde het verguld, in de vlakjes ernaast verdiepte het oppervlak zich van azuur tot kobaltblauw met zwarte bibberende lijntjes. Alles zou in mijn boek terechtkomen.
Er woonde een waterslang onder de steiger, mijn zoon en ik noemden hem Hugo. Als we hem vlakbij zagen zwemmen, met zijn kopje boven het oppervlak uitgestoken, durfden we het meer niet in. Ook de spinnen gaven we namen, in de hoop dat ze er minder eng door zouden worden. Dat doen we thuis trouwens ook, zo woont IJsbrand in onze berging, waar we onze fietsen zetten, een grote spin met sterke hoekige poten.
In Zweden zijn er twee belangrijke feestdagen die met het licht te maken hebben: Midzomer en Lucia. Met Midzomer, 21 juni, wordt de zonnewende gevierd. Voor mij was het de mooiste dag van het jaar, het feest van de langste dag, maar ook van vruchtbaarheid en wedergeboorte. Volwassenen die rond het middaguur al dronken waren van de schnaps en blootsvoets, met bloemenkransen in het haar, dansten rond de midsommarstång, een reusachtig met bladeren en bloemen versierd kruis. Ze deden mee met kinderachtige liedjes, als De kleine kikkers, waarbij ze op hun hurken rond hupten. Mijn moeder was bevriend met een man die flamencogitaar speelde, waardoor de muziek bij het kampvuur exotisch hartstochtelijk klonk. Wij kinderen dansten en speelden tot in de avond, niemand wist hoe laat het was en niemand vroeg ernaar.
Hoewel ik na onze verhuizing iedere zomer terugging naar Zweden, miste ik de zonnewendefeesten, ze vielen net buiten de schoolvakanties. Ook Lucia liep ik mis, dat wordt op 13 december gevierd, omdat vroeger werd gedacht dat dit de donkerste dag van het jaar was. Met Lucia lopen kinderen in optochten zingend door het donker, met kaarsen op het hoofd en in de handen. Een spookachtig, betoverend gezicht.
Leven bij kaarslicht, de schittering van ijsbloemen en sneeuw, was prachtig, maar het donker kon me ook beangstigen. Soms kon het zo alomtegenwoordig zijn dat ik me voorstelde: zo is het als je dood bent. Je kon nog net de toppen van de bomen tegen de donkere lucht onderscheiden, verder was alles om je heen zwart. De grond voor je voeten verdween in een onomlijnd niets. Zulke duisternis zette niet alleen gedachten aan de dood in werking, maar aan alles wat zich schuil kon houden. Al lijkt het bos volkomen stil, er klinkt altijd wel een geluidje, een ritseling, een brekend takje, een vallende dennenappel, misschien verbeeldde ik het me, maar het was alsof ik daar iemand hoorde rondsluipen. En dan ineens de roep van een uil, die klonk als een ijzingwekkende gil. Mijn broer en ik vertelden elkaar griezelverhalen over een man met een slepend been en een van bloed druipende bijl.
Onze wc was in een houten huisje even verderop op het erf. Al kon ik met mijn voeten precies voelen waar ik was en kende ik blindelings de weg, vroeg ik toch of mijn broer mee ging. Hij genoot van mijn angst en maakte me bang door de zaklamp uit te doen, plotseling stil te staan en te zeggen: ik hoor voetstappen.
Lezen gebeurde bij kaarslicht en in mijn eerste dagboeken zitten brandplekken. Dat kwam doordat mijn broer en ik plaatjes verzamelden die ik inplakte, van sterren en ruimtevaarders die oplichtten in het donker nadat je ze een tijdje bij een kaars had gehouden.
Duisternis kan ook geruststellen. Als ik in de wintermaanden terug ben in het bos bij mijn vader, verwelkomt het donker me. Ik voel me er thuis. Bovendien is de winternacht niet altijd donker, maar soms ronduit lumineus. Bij een grote maan kun je zonder zaklamp door het bos lopen. Maneschijn die gras ‘grijs deed zijn’, herinner ik mij woorden van dichter Tomas Tranströmer (1931-2015).
Als er ook nog sneeuw ligt, levert dit een onwerkelijk effect op, de witte deken weerkaatst het licht, dat nu zowel van boven als beneden komt. Mijn vader zegt dat je op zulke avonden buiten een krant kunt lezen. En dan de sterren, die zoveel groter zijn dan in de stad. Eindeloos kon ik met mijn hoofd in mijn nek omhoog staren, hoe langer ik keek, hoe meer ik zag. Achter elke ster hing er nog een.
Maandenlang in het donker leven en dan maanden in een alles doordringend licht, leidt tot een gewenning aan verlangen. De winter is een tijd van aftellen, van elke dag iets meer licht, en toch ken ik geen Zweed die niet ook op de donkere periode gesteld is, op de gezelligheid en de magie van het leven in de koude duisternis. Maar het verlangen naar lente blijft het sterkste, naar het voelen van zonlicht en gewekt worden door vogels.