„Ik moet een jaar of vijf zijn geweest toen ik leerde dat de maan een bol is waar zonlicht steeds op een andere manier op schijnt – soms van links, dan weer vanuit het midden, dan weer van rechts – en dat de maan hierdoor er steeds anders uitziet. Schijngestalten, geweldig! Toen al wilde ik weten wat er achter de dingen zat die ik zag. Na de middelbare school ging ik natuurkunde studeren. Ik dacht: nu ga ik natuurwetten stampen en ze vervolgens toepassen. Pas heel laat, vrij recent, besefte ik: natuurwetten zijn tijdelijk. Het is iets wat we verzonnen hebben en ze bestaan tot we met iets beters komen.
Samen met mijn vrouw Charlotte bouw ik de Einsteinfontein: een waterkunstwerk dat binnenkort aan de Einsteinweg in Leiden komt te staan en waarin water beweegt zoals licht rondom een draaiend zwart gat. Hoe die fontein eruit moest zien vond ik duidelijk, want die volgt uit de algemene relativiteitstheorie. Het idee dat je de beweging van het licht kunt nabootsen met water kwam zomaar in mijn hoofd. Licht beweegt in rechte lijnen, maar vallend water niet. Daarom heb ik een spuiter ontworpen waarin de zwaartekracht wordt gecompenseerd door de oppervlaktespanning van het water. Met de uitvoering van de onderdelen zijn we al vier jaar bezig, daar kreeg ik het wel eens benauwd van, maar problemen zijn oplosbaar. Ik hoor het water al kletteren: het maakt een mooi geluid. Water glinstert in de zon en de stralen bewegen in de wind. Het is prachtig!
Je creëert een goede samenwerking door elkaars expertise te respecteren. Met de bouw van de Einsteinfontein geeft Charlotte [bestuurder, conceptontwikkelaar en innovator] mij de ruimte van natuurkunde en vormgeving. Net zo vertrouw ik haar als het gaat over omgaan met mensen. Financiën, planning, vergunning en contacten doet Charlotte. Daar zou ik een ramp van hebben gemaakt. Samen praten en denken we veel over kunst, ook over mijn werk in wording. We hebben zelfs samen aan werk staan schaven, schuren en lijmen.
Zo’n dertig jaar geleden zag ik, alsof het een film was, twee zwarte gaten om elkaar heen draaien, waarvan er één materie opslokt. Daarbij stroomt een scherpe bundel hete deeltjes in tegengestelde richtingen naar buiten. Zulke ‘jets’ waren al bekend. Maar als je twee zwarte gaten hebt, gaat die straalstroom zwiepen, en hij moet dus een soort krulvorm hebben. Dat idee heb ik uitgewerkt. De telescopen destijds waren nog niet goed genoeg om dat precies waar te nemen. Dat kwam pas dertig jaar na mijn berekeningen. Als natuurkundige moet je niet alleen nieuwsgierig zijn naar hoe dingen werken, maar ook opmerkzaam zijn. Dat je opmerkt: hé, met deze waarneming of met dit idee is iets bijzonders aan de hand.
De volgende Einstein is
een elfjarig meisje in Darfur
Je moet je succes niet aan jezelf toeschrijven, dat is volkomen verwerpelijk. Als je dat doet, ontken je de bijdrage die anderen hebben geleverd, de plek waar je geboren bent, je opleiding, je relaties. En misschien nog wel erger, je ontkent de rol van het toeval. Mensen vragen mij soms: wanneer komt de volgende Einstein? Dan zeg ik, die loopt al ergens rond. Dat is een elfjarig meisje in Darfur. Zij gaat niet naar school: zij loopt heel de dag met water te zeulen. En raad eens wat haar lot zal zijn. Ze wordt uitgehuwelijkt aan een vieze oom en daarna krijgt ze malaria. Toen Einstein geboren werd, waren er twee miljard mensen op aarde. Dat zijn er nu acht. Dus wiskundig gesproken weet je dat ergens op aarde vier Einsteins rondlopen. Geluk of pech speelt absoluut een doorslaggevende rol in je succes.
Mijn vader was kunstschilder. De techniek van het schilderen heb ik van hem geleerd. Hij had een kort lontje, maar met schilderen was hij geduldig. We hadden niet veel geld – zijn papier en potlood gebruiken betekende daarom iets – maar hij moedigde mij aan schetsen te maken. Van mijn moeder leerde ik origami en werken met een naaimachine. Naast mijn werk als natuurkundige ben ik altijd blijven schilderen. Begin jaren negentig zei mijn toenmalige vriendin: óf je moet ophouden met kunst maken óf je moet er serieus mee aan de slag gaan. In 1994 werd ik toegelaten tot de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam. Deeltijds, naast astrofysica. Dat heeft mijn leven veranderd. Daar ga je met elkaar in discussie over je ideeën en over je werk. Je moet je kunst bespreken met anderen om tot inzichten te komen.
Een medestudent zei destijds dat ik moest ophouden zo krampachtig te doen over het verschil tussen natuurkunde en kunst. Natuurkunde is een prachtige bron voor kunst. Er zijn mensen die in de kunst intuïtief heel opmerkzaam zijn. Is het je weleens opgevallen dat in het midden van de sterren in het schilderij De sterrennacht van Van Gogh een geel stipje staat? Ons oog is gevoeliger voor geel, daardoor lijken de sterren te stralen. Van Gogh wist hoe kleuren werkten zonder natuurkunde of de fysiologie achter het oog te begrijpen.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2024/05/21143310/web-0106MAGwijzer_extra_web.jpg)
Ik kan zeer boos worden over het Nederlandse onderwijssysteem. Dat er een waardeoordeel hangt aan de verschillende typen onderwijs – mbo, hbo, wo – is echt verschrikkelijk. Het gaat in ons systeem niet alleen over waar je het beste past, nee, er wordt ook gezegd of jouw opleiding laag of hoog is. Ik heb bij mijn eigen dochter gezien hoe funest dat is, dat je heel hard van een bepaald stempel af probeert te komen. We plaatsen mensen als een soort sorteermeester in een sorteervakje, net zoals in Harry Potter wordt gedaan met de sorteerhoed. Jij krijgt die hoed op je kop, jij gaat in dat vakje. Maar: een mens is een continuüm. Het is ook niet zo dat sommigen beter zijn in werken met hun hoofd en anderen met hun handen. Kijk maar naar een stratenmaker, alleen het patroon van die stenen is al wiskunde.
De overgrote meerderheid van wat ik bedenk, aan natuurkunde en aan kunst, eindigt in de prullenbak. Dat is nu eenmaal zo. Vrijwel alles wat kunstenaars produceren, wordt door de grote stroom van de geschiedenis weggeveegd. Maar als het zo is dat van de duizend dingen die je bedenkt of schept er eentje is die deugt, of in het geval van de natuurkunde dat één theorie blijkt te kloppen, dan is dat prachtig! Kijk naar mijn lichaam, dat is 71 kilo mens, maar om één Vincent te maken is een minimaal beetje dna voldoende. De rest doet er niet toe. Ik bedoel, als ik onder de douche sta en een paar haren verdwijnen in het afvoerputje, dan is dat meer materie dan het dna dat nodig geweest is om mijn hele lichaam te maken. Dan is er nog steeds een Vincent. Het is niet erg als veel van je werk verdwijnt.
Als natuurkundig verschijnsel is licht echt verbijsterend. Je kunt door een ruit kijken, maar je ziet ook je weerspiegeling. Dat die twee dingen tegelijk gebeuren is de basis van de quantummechanica. Dat gaat al terug tot de 17de eeuw, toen de natuurkundige Christiaan Huygens de voortplanting van licht beschreef als een soort schokgolf in materie. Zijn boek Traité de la Lumière vind ik aangrijpend en ontroerend. Het komt niet vaak voor dat je een natuurkundeboek op het puntje van je stoel leest.
Je moet je gebreken niet proberen te verbergen. Huygens eindigt zijn boek met een experiment waarin licht zich niet zo gedraagt als hij had verwacht. Hij kon het niet verklaren. Toch schreef hij het op, zodat mensen het na hem beter konden doen, en dat is ook gebeurd. Tuurlijk is dat in sommige gevallen heel confronterend. Ik zie in mijn werk ook dat ik niet in staat ben om sommige dingen te doen. De massa van de zon kromt de ruimte en daardoor zijn de planeetbanen eromheen krom. De formules van de algemene relativiteitstheorie van Einstein beschrijven dat. Maar niet hóé de materie van de zon de ruimte kromt. Ik heb vergeefs geprobeerd de wisselwerking tussen massa en ruimte te begrijpen. Blijkbaar ben ik niet opmerkzaam of begaafd genoeg. Hoogstwaarschijnlijk ga ik mijn graf in zonder te begrijpen wat daarachter zit.”