‘Het betekent veel voor mij, om uitgenodigd te zijn in dit gezelschap en vandaag voor jullie te spreken. Wij, Europeanen en Britten, moeten samen optrekken. In deze wereld denken we vaak eender.” Zo begon Lindsey Whyte, directeur-generaal International Finance van het Britse ministerie van Financiën, vorige week op een conferentie in Brussel haar praatje over internationale handel in een wereld gedomineerd door geopolitiek. Whyte was duidelijk enigszins geroerd. Sommigen in de zaal ook. Want het is waar: sinds Brexit, sinds de Britten ongeveer alle deuren naar het continent met een klap hebben dichtgeslagen, zag je dat niet zo vaak meer: een Brit op een Europees publiek podium. En zeker geen officiële Brit. Tijdens de Brexitonderhandelingen – die Europees onderhandelaar Michel Barnier ooit omschreef als „pijnlijk, onplezierig en duur”, terwijl een van Whyte’s voorgangers deze typeerde als „geen onderhandelingen, maar een drive-by shooting” – verdwenen de Britten letterlijk van het Europese toneel. Wat viel er nog te zeggen, tenslotte. Politiek leiders beschimpten elkaar en trokken elkaar het vel over de oren. Beter om, zoals een hunner toen zei, „in een hoekje gaan zitten en wachten tot het voorbij is”.
Wel, het ergste lijkt nu voorbij. Het Verenigd Koninkrijk heeft sinds juli een nieuwe premier, die zegt dat hij de zwaar verstoorde verhouding met de Europese Unie wil „herstellen”. Keir Starmer reist naar Duitsland en Frankrijk en wil een afspraak met Commissievoorzitter Von der Leyen, maar zonder nieuwe Commissie kan zij hem nog niets bieden. Hij zinspeelt alvast op een gezamenlijk veiligheidspact en een gedeelde toekomst met meer samenwerking. En al in de week dat hij aantrad, zag je de eerste Britten terugkeren in het Europese vergadercircuit – zoals een congres in Madrid over de Europese buitenland – en veiligheidspolitiek, waar twee oud-ambassadeurs opdoken die velen jaren niet gezien hadden. Zij zaten niet zwijgend op de achterste rij, wat ongeveer het avontuurlijkste was dat een Brit afgelopen jaren durfde te doen, maar ze spraken weer.
Dat is goed. Britten zijn vaak eloquent. Als het om Europa gaat, hebben ze de onthechte blik van een outsider. Die hebben ze altijd gehad, hetgeen deels ook Brexit verklaart: „Wij hebben Europa altijd een spiegel voorgehouden”, zei een Britse diplomaat eens, „en die rol ligt ons zo goed dat we die spiegel zijn geworden.” Na 2016 moest Europa het zonder spiegel doen. Nu is die er soms weer. Dat wil zeker niet zeggen dat de Britten altijd gelijk hebben. Wel hebben ze soms rake observaties over Europese issues waar iemand van bínnen de EU, die er te dicht op zit, niet op komt.
Waar al dit hernieuwde gepraat toe leidt? Moeilijk te zeggen voorlopig. Starmers „reset” van de verhoudingen met de EU is niet eenvoudig. De EU heeft hem wat simpele deals aangeboden, zoals goedkope visa voor jongeren en hernieuwde deelname aan Erasmus-studentenuitwisselingen. Starmer zei nee. Hij wil eerst economische verlichting voor bedrijven die hun producten amper nog naar Europa krijgen. Maar op dit gebied heeft de EU veel gedetailleerde regels, die hij weigert over te nemen – het oude liedje weer. Ook dat loopt dus nu al stroef, tot teleurstelling van sommigen in Brussel.
Het enige veelbelovende is meer samenwerken aan defensie en veiligheid. Op dat gebied is er geen Europa en zijn er amper regels: elk land doet zijn eigen ding. Maar dat verandert waarschijnlijk, door de oorlog in Oekraïne. De Europeanen hebben de Britten, met hun leger en hun expertise, hard nodig. Maar als er een Europese defensie-industrie van de grond komt, met regels voor EU-lidstaten onderling, staat de Britse wapenindustrie buitenspel. Londen wil voor hen een voet tussen de deur krijgen. Niet simpel. Vandaar dat Britse lobbykantoren momenteel zwaargewichten inhuren: gepensioneerde politici en diplomaten die nog weten hoe de hazen lopen in Brussel. Hopelijk, mompelde een Europese ambtenaar laatst, blijft de ravage ditmaal een beetje beperkt.