We hebben een gevoel over hoe het met de economie gaat. En dan is er de statistische werkelijkheid. Het verschil tussen die twee is een puzzel die vaak tot discussies leidt. Deze week nog. Het vertrouwen van Nederlanders in hun financiële situatie is matig, terwijl velen van hen volgens de hoofdeconoom van het CBS aardig wat spaargeld hebben. En de lonen en de koopkracht voor velen stegen. „Ze hebben het geld wel, maar het voelt blijkbaar niet zo”, zei Peter Hein van Mulligen in Het Financieele Dagblad.
Dat kan komen door de zogeheten sticker shock: steeds weer schrikken van de prijzen in de supermarkt. De Amerikanen leken daar voor de presidentsverkiezingen ook last van te hebben. De hoge prijzen gaven mensen steeds het gevoel armer te zijn geworden, al waren de lonen inmiddels óók gestegen en was de koopkracht dus grotendeels hersteld. Een grote groep Amerikanen voelde zich desondanks slechter af dan vijf jaar eerder.
Begrijpelijk gevoel, vond ik. Ook omdat minder Amerikanen in staat waren een huis te kopen: de huizenprijzen én de rente op hypotheken waren gestegen. Statistiek gaat bovendien vaak over gemiddelden; een deel gaat het minder goed. Toch is een sentiment soms ook precies dat: een sentiment. Direct na de verkiezing van Donald Trump zei een groep Amerikanen plots zich wèl beter af te voelen dan vijf jaar eerder. Zo snel verandert de economie natuurlijk niet. Dat gevoel gaat meer over politieke voorkeur dan over de economische werkelijkheid. En daarom is dit soort indicatoren altijd maar één deeltje van de puzzel.
Een intrigerende puzzel die mij al jaren bezighoudt, is ongelijkheid. Als het om inkomen gaat, is Nederland nog steeds een gelijk land, en toch is het gevoel dat de ongelijkheid toeneemt meer dan een gevoel alleen.
Kansen en zekerheden zijn in Nederland steeds ongelijker verdeeld
Kansen en zekerheden zijn steeds ongelijker verdeeld. Vermogen is ongelijk verdeeld. Het maakt meer uit hoe rijk het gezin is waarin je wordt geboren. Opklimmen via onderwijs, werk en het kopen van een huis is voor kinderen uit arme gezinnen moeilijker geworden.
Soms zitten er grote veranderingen onder een vlakke statistiek. Neem het Verenigd Koninkrijk. Daar steeg de ongelijkheid in inkomen de afgelopen tien jaar niet. Toch hebben Britten dat gevoel wèl. Niet gek, analyseert de Financial Times. Het verschil tussen de top en de onderkant van de inkomens bleef in die jaren gelijk, maar er veranderde wel degelijk wat. Grof gezegd: de inkomens aan de onderkant stegen aanzienlijk, de inkomens van de top ook, maar de middeninkomens veel minder. Britten met een middeninkomen zagen mensen met een laag inkomen dus rijker worden en dichterbij komen, terwijl de top van ze wegliep en nóg rijker en onbereikbaarder werd.
Hoe zit dat in Nederland? Blijft hier het midden ook achter? Nee, zegt hoogleraar Egbert Jongen, onderzoeker van inkomensongelijkheid. Ook hij ziet onder de vlakke ongelijkheidsstatistieken golven van verandering. Maar niet deze.
In Nederland blijft de onderkant juist achter, als je kijkt naar de decennia tussen 1981 en 2021. „Dat is echt opvallend.” De inkomens van het midden zijn hier juist sterker gegroeid dan die aan de onderkant én die aan de top. Nederland is eigenlijk dubbel bijzonder: we zijn en blijven relatief gelijk, maar de mensen aan de onderkant blijven meer achter dan in veel andere landen. „Ik zou me hier minder zorgen maken over de middengroepen, dan over de onderkant”, zegt Jongen. Ook al snapt hij die zorgen wel. „Na aftrek van de inflatie groeien ook middeninkomens niet hard. Als inkomens matig groeien, gaan mensen meer letten op ongelijkheid.”
Jongen ontdekte een andere grote verandering die je op het eerste oog niet ziet. Voor Nederlandse vrouwen in de werkzame leeftijd nam de ongelijkheid tussen 1981 en 2021 sterk af (omdat ze betaald werk gingen doen), maar voor mannen in die leeftijd nam de ongelijkheid juist sterk toe. Werkende mannen met de allerlaagste inkomens waren in 2021 zelfs slechter af dan in 1981, als je alleen kijkt naar hun inkomen uit werk, gecorrigeerd voor inflatie.
Waarom blijft de onderkant achter? Nederland is deels een lagelonenland met veel flexwerkers en arbeidsmigranten die relatief weinig verdienen, zegt Jongen. Een gevolg van bewust beleid. Bovendien was Nederland relatief laat met het verhogen van het minimumloon (2023). De Britten bijvoorbeeld waren eerder.
Deze puzzel gaat over zoveel meer dan economie. Het gaat over wat voor samenleving we zijn en willen zijn. Ik laafde me deze week aan een mooi gesprek tussen economisch historicus Thomas Piketty en filosoof Michael Sandel dat binnenkort in boekvorm verschijnt. Gelijkheid, zien de twee, heeft drie aspecten. Het eerste is economisch en gaat over de verdeling van inkomen en vermogen. Het tweede is politiek en gaat over invloed, macht en deelnemen aan de maatschappij. Over beide hebben Piketty en Sandel grote zorgen.
Het derde aspect van gelijkheid is volgens Sandel het krachtigst. Dat gaat over sociale relaties: over waardering en erkenning. Over gevoel dus. Het gevoel dat elites neerkijken op mensen zonder hoge opleiding en weinig waarde hechten aan het werk dat zij doen, is volgens Piketty en Sandel een belangrijke reden dat nationalistische partijen verkiezingen winnen – naast werkloosheid in industriegebieden en stagnerende loongroei.
Alle welvaart is een collectieve creatie, geen individuele verdienste, vinden zij. Mensen worden mede rijk dankzij het onderwijs, het rechtsstelsel, de ziekenhuizen, de infrastructuur van een land. Daarom is het zo gekmakend, vindt Piketty, dat overheden pretenderen niets te kunnen doen als opgebouwd vermogen naar een ander land verdwijnt. We zijn van elkaar afhankelijk en voor elkaar verantwoordelijk, zegt Sandel. Als dat niet zo voelt, dan wordt belasting heffen en herverdelen moeilijker.